Op weg naar Boetari

6 mei 2015

’s Ochtends heel vroeg is er niemand op de steiger waarin ik me te water laat. Spelbreker van de vissen. Ik zwem niet, ik drijf ruggelings op het zout, in het noorden de sensuele bergen met hun spitsen die verglijden in diepe kommen, de schoten waarin misschien al het licht van morgen wordt bereid. Ik dompel me helemaal onder en steek mijn tong onder water uit, opdat de zee begrijpt dat mijn overgave niet oppervlakkig en geen pose is.
Dan onderweg, langs de kustweg die van droogte in het water brokkelt. Mijn stok is er om de slangen op de voetpaden te waarschuwen dat ik er ben. Ze kunnen hun sappen maar beter niet aan mij verspillen. Maar de stok geeft ook de maat aan. Hij ondersteunt je met de idee dat hij dat kan.
Geregeld schep ik mijn muts vol water en zet hem op mijn hoofd, dat fris blijft onder die kroon van zout. Ik sloof mijn broekspijpen niet op als ik door de geulen waad. Het is een genoegen ze donker te zien verkleuren, hun zwaarte aan mijn huid te voelen trekken voor ze weer linnen worden, het woord dat hun uiteindelijke lichtheid verklaart.
En dan breek ik in Boetari het harnas van de langoesten, snijd de citroen in tweeën en knijp zo hard ik kan in zijn harde ezelsvel omdat ik zijn scherpte in mijn handpalmen wil voelen voor het sap over mijn vingers druipt. Even flonkert het verdwaasd in mijn glas voor zijn zuurte door het water wordt verdoofd. Elke schaduw is nu welkom.
Gelukkig is het straks een lange weg naar huis.

 

 

Advertisements

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: