Water

26 april 2015

Verse sardines, opgebaard in hun laatste olie. Gisteren bracht Michali ze mee uit de vissershaven van Petriti. Hij heeft ze gekookt, ze liggen verscholen in een lauw bed van groente, hun buiken glanzen nog in het harnas van hun schubben, ook al heeft de dood hun zilver afgemat.

De zee is vol vis. Er is zoveel vis, schrijft Lawrence Durrell in ‘Prospero’s Cell’, dat de priesters niet eens overwegen om de zee te zegenen, wat ze wel doen voor de bronnen en de zoetwaterputten, waarvan er nooit genoeg zijn en die nooit genoeg water kunnen geven. Maar dat was tachtig jaar geleden.

Maar water, ‘nero’, heeft op Korfoe nog altijd een kostbare klank. Zou het toeval zijn dat Michali, die mijn pensionnetje runt, loodgieter is, het beroep dat hij in de slappe maanden uitoefent? Het ongewone, borrelende geluid dat ik een paar dagen geleden in de leidingen van mijn badkamer hoorde, kwam – zo vernam ik later – van het aanslaan van de pomp. De reguliere watertoevoer was onderbroken, Agios Nikolaos zat droog, maar hier, in het laag gelegen Notos, kwam via de put nog altijd water uit de kraan.

Het is niet anders te verwachten: veel druk zit er nooit op de leiding. Misschien is dat geen technisch gebrek, maar een bewuste vorm van ontraden. De oude dorpelingen hebben geen badkamer, en wie hier doucht doet dat niet zonder schuldgevoel. In hun ogen is het meer dan een luxe: een vergrijp.

Het besef van de waarde van het water zit hier in de genen. Nog niet zo heel lang geleden stond het bezit van een ligbad hier gelijk met het verspillen van je toekomst, van je leven. Ik herinner me Durrells verhaal van een boer die zijn diensten aanbiedt bij een Brit die zich op Korfoe gevestigd heeft. Als de boer in het landhuis van zijn heer voor het eerst in zijn leven een badkamer ziet, is hij helemaal van de kaart. Hij komt niet eens op het idee dat het ligbad zou kunnen dienen om je te reinigen. Bij de aanblik van het bad slaat de boer een kruis, terwijl hij tegen de huisheer zegt: ‘Mijn heer, bid tot God dat u dit nooit nodig heeft.’

Ook de spoeling in de toiletten is hier dunnetjes. In mijn badkamer met douchecel hangt  boven de wc een Grieks-Engelse tekst met het verzoek  om het toiletpapier niet in de pot, maar in de vuilnisbak ernaast te gooien.  Ik ben een gedisciplineerde gast, maar op die bede ben ik nog niet ingegaan. Met de dood in het hart sas ik een keer of drie, vier, in de overtuiging dat het hier nooit zo’n vaart zal lopen als op Sicilië, waar een Korfiotische reiziger in een vissersdorp terechtkwam dat hem onderdak bood. De Korfioot werd ondergebracht in een hut waarin de wc een gat in de grond was. In het pleegat krioelde het van de vliegen. Hoewel de gast niet snel uit zijn lood was te slaan, deed hij bij het aanschouwen van dat leger vliegen toch zijn beklag bij de visser die zijn gastheer was. ‘Vliegen?’, zei de visser, ‘natuurlijk zijn hier vliegen. Maar als u doet zoals wij allemaal en tot de middag wacht, garandeer ik u dat u hier geen vlieg meer ziet, want dan zijn ze allemaal in de keuken.’

 

Advertisements

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: