Arena

25 april 2015

De zon komt op uit een machtige baai die oostwaarts een scherpe tong uitsteekt. Vanochtend was daarvan niet veel te merken: niets van het roze gloren dat Homerus beschrijft als bloed dat zijn vinger opsteekt, niet om te vermanen, maar om in het gedicht te zijn. Het hemeldek was dichtgeschroefd met wolken waarvan ik me afvroeg waarom ze niet onder hun cementen last bezweken. Maar plots viel er een gat in het dek en kaatste de zon haar licht op het water: aanvankelijk een gouden discus die ook straalde van de blinde kracht waarmee hij was geworpen. Vanaf mijn balkon werd die lichtkring, die de grootte van een arena had, niet milder, maar kreeg de kleur van verhit zand waaruit glas geblazen wordt. Toen werd het licht zijiger, de arena met bladgoud overtrokken, flinterdun. Een moment vreesde ik dat de dolfijnen – nerveuze, door eigen schaduw bereden stippen op dat flonkerende palet – door de bodem naar de bodem zouden zakken, maar gelukkig kwamen ze niet.

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: