Tsin-tsin-beera, een hommage aan Lawrence Durrell

22 april 2015

Vandaag maakte ik kennis, zeer kort, met George Lithgow, de kleinzoon van graaf John Lithgow, een excentrieke Schot die zich in de jaren dertig in de vallei van Di Ropa, niet ver van Ermones, aan de westkust van Korfoe, aan de voet van een rotspunt die Peleka heet, uit de wereld teruggetrokken had. Vanuit zijn kluis had John Lithgow met meer dan matig succes willen bewijzen dat Shakespeare op Korfoe was geweest om er een stuk te schrijven dat ‘The Tempest’ zou heten. Ik was in de buurt van de Evraica, de voormalige joodse wijk van de hoofdstad, met hem in gesprek geraakt in een taverne waarin ik was binnengestapt omdat haar naam me intrigeerde: de tsin-tsin-beera-bar. George, die er met de gel in zijn pikzwarte haar eerder maffioos dan Schots uitzag, zat er scheef tussen zijn koffers, want hij stond op het punt naar Glasgow terug te keren. Omdat de tijd krap was, raakten we snel in gesprek. In een bevlieging van wederzijdse hoffelijkheid hadden we voor elkaar een zo diepe buiging gemaakt dat onze schedels tegen elkaar waren geknald, een explosie waarop we, vonden we, nog haastig moesten klinken. George bestelde twee keer bier, opmerkend dat het Korfiotische erfdeel van de twaalfjarige Britse bezetting – 49 jaar, corrigeerde ik – uit twee dingen bestond: cricket en ginger beer. Meteen was de naam van de taverne verklaard, want tsin-tsin-beera is de Griekse verbastering van dat bier. George zelf, een gedrongen gestalte met schoensmeerhaar, leek met zijn kleine handen en voeten sprekend op Lord Byron, en daardoor ook op het portret dat hij me van zijn grootvader toonde. Hij vertelde me dat hij in Ermones had gelogeerd in een pension dat Elena heette, wat onze korte verbroedering bezegelde, omdat mijn pension aan de andere kant van het eiland niet anders heette. George, die voor de eerste keer hier was, was tijdens zijn weekverblijf in Ermones op zoek gegaan naar het afgelegen, Venetiaans uitziende landhuis waarin zijn grootvader had gewoond, gewerkt en nagedacht, maar in plaats van een rustieke villa die door oeroude cipressen werd verduisterd, had hij tot zijn teleurstelling alleen maar een ruïne aangetroffen, en in de overwoekerde tuin een fragment van een marmeren blad dat waarschijnlijk ooit tot een tafel had behoord en ook nog drie frêle vingers van een beeld waarvan niet alleen de hand zoek was geraakt. George was net als zijn grootvader een literatuurliefhebber. Ik had helaas niet meer de gelegenheid om hem te vragen of hij de opvattingen van zijn grootvader over Shakespeares exploratietocht op Korfoe deelde en hoe zijn voorouder daarop gekomen was. Net voor George in de taxi stapte die hem naar de luchthaven zou brengen, werd zijn blik melancholiek en bekende hij dat hij, net als zijn grootvader, in de literatuur vertroosting zocht voor al de ongelukkige liefdes die van zijn leven weliswaar geen puinhoop, maar toch een hoop puin hadden gemaakt. Ook in dat opzicht leek hij dus op zijn grootvader John, die voor een kluizenaarsleven in de diepe vallei van Di Ropa had gekozen. Niet dat George een vrouwenhater was geworden. Hij duldde de dames, zei hij, terwijl hij zijn neus optrok en in zijn lege bierglas een blik gooide die nog zwarter was dan zijn haar. ‘Vrouwen vermoeien me,’ zei hij, ‘ik nodig ze niet meer uit. Ze praten als engelen over mijn poëzie, tot ze een spiegel in de kamerhoek zien staan.’ En met die bittere boodschap verdween hij op Korfoe uit mijn leven en uit de tsin-tsin-beera-bar.

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: