Kant, gekanteld

20 april 2015

Elke avond maak ik mijn kantiaanse wandeling. Ik vertrek om half zeven, om half negen ben ik terug. Langs het strandje van Notos trek ik over de heuvelkam, eerst opwaarts, dan dalend, vervolgens over de geul (die ik niet meer hoef te doorwaden omdat iemand die me de vorige dagen heeft zien knoeien er een boomstam over heeft gelegd). Op die boomstam, die wat glibbert, doe ik mijn evenwichtsoefening, maar ik mag niet vallen omdat mijn tablet in mijn rugzak zit. Vervolgens trek ik langs de vloedlijn, de blik strak op de zee gericht, naar het vissersdorp Petritis. Vandaar trek ik landinwaarts huiswaarts. Onderweg sla ik in de minisupermarkt mijn middagmaal voor de volgende dag in, dat onveranderlijk uit yoghurt, een kiwi, een banaan, een appel en een sinaasappel bestaat. Landinwaarts beginnen de problemen. Het kleinste is dat iedereen goedenavond tegen je zegt. Niet dat een teruggave van die groet zo moeilijk is, maar na honderd keer begin je jezelf wat saai te vinden, ook al wissel je de ‘kalispera’s’ en ‘jassoe’s’ trouwhartig met elkaar af. Een groter probleem zijn de honden, van wie de meeste vriendelijk zijn, maar niet allemaal. Het ergst zijn de honden die in vuilnisbakken wonen en denken dat je er ook een bent, maar dan een mobiele die verser is gevuld. Gaan lopen is geen remedie, blijven staan ook niet. Maar dan, als ik dan nog altijd heelhuids via de landwegen huiswaarts stap, vol bewondering voor de stroommeterkastjes die hier allemaal buiten hangen en waarover ik nog eens een apart stuk moet schrijven, dreigt het grootste gevaar: de gemotoriseerde dorpelingen van Agios Nikolaos, Petritis, Notos, Vasilatika en Roumanades, die me intussen kennen als de man op wiens verschijning ze hun klok kunnen afstellen. Allemaal remmen ze naast me af, en vragen me of ze me een lift kunnen geven naar mijn pension. (De Korfioten zijn namelijk geen wandelaars en de natuur is niet iets om van te genieten, maar een element dat hopelijk iets opbrengt als je er strijd mee levert.) Ik moet dus altijd afwimpelen, al geef ik soms ook eens toe, uit humanitaire overwegingen zeg maar. Maar daardoor verstoor ik de kantiaanse orde en loopt op Korfoe alles in het honderd, omdat de tijd er in een knoop geraakt. Gisteren echter remde er een knap herderinnetje op het traject tussen Agios Nikolaos en Notos, een jaar of veertig naar ik schat, getaande, olijfkleurige huid, zoals het hoort, en haar dat ze zeker kamt met een tak van een kastanjelaar. Ik gooide Kant meteen in de gracht en stapte in. Ze sprak alleen maar Grieks, en aangezien ik die taal niet ken geraakten we in een surrealistische dialoog verwikkeld. Zonder schroom zei ik in eigen taal dat ik haar helemaal zag zitten, maar toen ze begon te lachen dacht ik een moment dat ze me begrepen had, al vond ik dat geen reden tot paniek, misschien had ze me begrepen en ik haar. Ze bracht me tot aan mijn pension, en gaf dan gas de steile heuvel naar Notos op, waar op de top nog zeventien andere huizen staan. Ze heet Skylla, zei Michali, de baas van mijn pension, die geamuseerd had toegekeken. Het lamsvlees was nog niet klaar, de karaf retsina stond nog niet op tafel. Zoals ik al zei: door mijn schuld was de Korfiotische tijd in de war geraakt, en ik niet minder. Vanochtend toen ik onder de pergola zat te werken, stoof ze weer naar boven. Ze zwaaide en lachte haar tanden bloot. Ik denk dat ik vanavond maar eens de heuvel op ga. Kant kan de pot op, en van een ietwat chaotisch tijdsbestek is hier bij mijn weten nog niemand doodgegaan.

 

Advertisements

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: