Notos, vanaf het balkon

17 april 2015

Notos, op het balkon van mijn kamer in pension Elena, twee hoog. Voor mij een dubbel landschap, maar is de zee een landschap? Frontaal wordt mijn blikveld in het midden gedeeld: rechts water, maar niet zover het oog reikt, want in de verte doemen de bergen van het Griekse vasteland op. Vanmiddag zijn ze haast onzichtbaar, opgaand in een waas dat niet krachtig genoeg is om het compacte wit van twee scheepjes buiten de kust op te slokken. Er zit nogal wat wind vandaag, zodat ik het filigrane breken van de golfjes goed kan horen. Het water is onrustig, het is ribbelend onderweg, het heeft haast. (In dat kabbelwater heeft Lawrence Durrell op 25 september 1937 tijdens het zwemmen op twee vadem diep de koppen van een Griekse krant proberen te lezen die er op de bodem lag.) De golfjes breken op een strandje waarlangs ik dagelijks wandel om in Petritis de vissers hun netten te zien boeten. Het strandje is maar een voorschoot groot: geen keien, ook geen zand, maar een ondergrond die eerder lijkt te bestaan uit vezels die nooit tot ontbinding overgaan, het soort van dunne tenen waaruit manden zijn gemaakt. Hier en daar een lege plastic fles, die het landschap voor de waanzin van de ongereptheid behoedt. Om Petritis te bereiken moet ik door een ondiep riviertje waden, waar de kikkers heer en meester zijn van hun kabaal. Maar eerst moet ik via een almaar nauwer, klimmend pad, waarin ik tot fossiel geplet kan worden, over de heuvelrug die, vanaf mijn balkon gezien (zie ik daar mezelf niet lopen?), tot het linkse paneel van mijn frontale diptiek behoort. Bijna recht voor me, tweehonderd meter ver in zee, een rotspartij waar een schraal wit kruis de vraag oproept naar de tragedie waarnaar het ongetwijfeld verwijst. De zee dus. Het is onbegonnen werk om de ondiepten te tellen, maar ze storen niet, ze verbreken het egale, het is niet onaangenaam, dat reliëf, dat de zee het vertrouwd karakter geeft van een spiegel waar het kwik van afgesprongen is: je durft erin te kijken. Tussen de vloedlijn (maar er is hier geen getij, de oceaan is plat gaan liggen: laat Noord- en Oostzee maar zwoegen onder de zweepslag van de maan) en mijn pension staat een leger oeroude olijfbomen in een formatie die nooit een gelid is geweest: anarchistischer krijgers, gehavende veteranen nu, ken ik niet. Achter die frontlijn: pijnbomen en cipressen. In de ochtend worden de olijfbomen bevolkt door het gemekker van de geiten, waarvan er soms eentje de afsluiting doorbreekt, en, na triomfantelijk zijn eigen lauweren te hebben opgevreten, in paniek naar moeder roept. Na de middag zijn ze verdwenen, net zoals de kippen waarvan ik vergat te zeggen dat ze ’s morgens het theater met hun gekakel openen. Het zijn hun eieren die ik eet. Voor de afsluiting van het kippen- en geitenparadijs kronkelt het weggetje (zelf op weg naar andere gehuchten: Kouspades, Perivoli) dat mijn pension passeert, direct onder mijn voeten, waar om het uur een auto voorbij tuft (meestal is het Michalis, de 39-jarige goedgemutste reus die samen met vader Elia, 85, en moeder Elena, 73, de drie zuilen zijn waarop pension Elena, twaalf kamers, steunt.) Het weggetje is vooruitstrevend, het geeft zich tot in zijn intiemste gaten bloot omdat het geen behoefte aan een wegdek heeft, zodat het schaars verkeer niet sneller vordert dan de vuilniswagen die hier eventjes voorbij komt stinken. Daarom is het ook een veilig weggetje voor Ira, het kwispelstaartend weeshondje dat hier drie weken geleden plots is opgedoken en nu kind des huizes is, dat in de pergola met de linten van mijn rugzak speelt waarin hij soms – staart uit de rits – beschutting zoekt tegen een gevaar dat ik niet ken. Het is een schattig hondje, misschien herkent hij me volwassen als ik over een overmoedige tien jaar weer eens hier strand, net zoals Odysseus, eindelijk vanuit Kerkyra aangespoeld in Ithaka, door zijn trouwe hond Argos werd herkend.

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: