De groep

26 maart 2015

Zondagnamiddag. De jonge Beethoven. Sonate voor violoncello en klavier, in een heldere kamer in een gastvrije villa met lichtende plankenvloeren in het noorden van Berlijn, Tegel, vlak bij het Humboldt Schloss en het meer. Maar ik ben niet mondain genoeg voor de taferelen achteraf, ben figurant (het Duitse woord Statist drukt nog beter uit wat ik bedoel), heb geen aanleg voor small talk met al die vriendelijke, niet meer zo jonge, door het leven getekende luisteraars, die zich na het concert, bij kaas en wijn, tot sprekers ontpoppen. Ik kan er ook niet aan doen, voel me saai en dom worden, hou mijn mond (flanellen benen, flauwte), een leeg gevoel dat me wel vaker overvalt in een groep die praat uit verlegenheid, om de stilte klein te krijgen. Ik probeer me te herinneren wat Canetti eens heeft gezegd over het terneerdrukkend en vernederend gevoel waarmee de groep er van nature toe neigt om degenen die er deel van uitmaken tot middelmaat te vereffenen (verheffen ware misplaatst), de individualiteit uit te vlakken, zelfs gezichten uit te gommen, iets in de trant van: ‘Ik weet zeker dat die mensen individueel niet zo dom zijn als ze in groep lijken.’ Achteraf de bevestiging daarvan door Casanova, die zo vriendelijk was me mee te nemen. Op weg naar huis zegt hij over de inhoudelijkheid van tafelgesprekken: ‘Met zijn vijven is al één te veel.’  Thuis opluchting, weg de wrevel dat ik, verlegen om een houding, ijdel en arrogant overkom in de groep, terwijl ik in mijn eentje, waar niemand het merkt, de belichaming van de bescheidenheid ben.

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: