Raddatz

25 maart 2015

Casanova (S-Café Friedenau) vertelt me dat hij zich kostelijk amuseert met de lectuur van de ‘Dagboeken’ van schrijver en criticus Fritz Raddatz (1931-2015). Ze spelen zich af in de verwaande kringen van schrijvers, kunstenaars, publicisten, in Raddatz’ eigen verwaten wereld zeg maar. Maar Casanova vindt Raddatz, ondanks het geboden entertainment, kleinburgerlijk: een egomaan die nooit vergeet te vermelden hoe duur de bloemen zijn die hij straks aanbiedt aan de gastvrouw naar wie hij weer eens op weg is om zich de volgende dag over het behoeftige avondmaal te beklagen. Ik ben het echter niet helemaal met Casanova eens.

 

Raddatz stapte onlangs vrijwillig uit het leven, 84 jaar. Hij deed dat een paar dagen voor zijn nieuwe boek verscheen, dat uiteraard ook zijn laatste was. Hij wachtte niet tot het er was, hij hield het niet in zijn handen. Dat hij zijn boek net voor de geboorte tot wees maakte vind ik een vorm van onthechting die ik niet petit bourgeois zou durven te noemen. Raddatz heeft altijd gezegd dat hij zichzelf van het leven zou beroven als zijn geld op was. Hij was uiteindelijk oud genoeg om er niet meer van te kunnen genieten als hij het nog had gehad, en in dat geval te trots en wie weet nog te vitaal – in elk geval te zeer bij zijn volle verstand – om het uit te geven aan dokters of rusthuizen, zoals men de premature graftomben noemt van mensen die zich niet meer kunnen herinneren dat ze ooit moe zijn geweest.

 

Maar sporen van levensmoeheid vind je al vroeg in Raddatz’ dagboeken, die echter geen symptomen van werkmoeheid vertonen. Dat is een paradox die me niet verbaast, omdat hij me vertrouwd is. In leven blijven om te werken, niet omgekeerd. Op 6 februari 1987 – hij is 56 en veel jonger dan ik nu ben – noteert Raddatz in Fuerteventura: ‘Eigenlijk ben ik al dood, leegbemind? Zonder vreugde, mijn blik gaat alleen nog naar binnen. (…) Ben gespannen, verkrampt en vraag me op die eenzame avonden wel degelijk af waartoe ik nog leef.’ Is dat nu een projectie van de avonden die me weldra gedurende een paar maand op mijn eigen eiland, Korfoe, te wachten staan? Op het panoramische flatscreen van de Ionische Zee.

 

Maar Casanova en ik vinden elkaar uiteindelijk dan weer in de waardering die we beiden koesteren voor Raddatz’ nooit tanende verachting voor ex-Bondskanselier en windbuil Helmut Schmidt. Raddatz: ‘Als deze man zich nu eens niet aanmatigde gewoon alles te weten’ (7 november 1983).

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: