Over boeken en inflatie

16 maart 2015

Ik weet nog niet precies welke rol de Weimarrepubliek in mijn Berlijnboek zal opeisen, maar intussen blijft het fenomeen inflatie, dat de Duitse samenleving in 1923 in zijn greep hield, me fascineren: het wegsmelten van het geld, het opbranden van waarde, dat natuurlijk ook een verzengen van waarden is. Hyperinflatie betekent immers de uitholling van een elementaire zekerheid: de belofte van het geld geldt niet meer, het uitstellen van behoeften, dat door de potentie van het geld mogelijk wordt gemaakt, is niet alleen zinloos, maar wordt bestraft.

 

We hebben eigenlijk geen idee van wat zo’n gierende geldontwaarding uiteindelijk met ons doet.  In ‘Massa en macht’ concludeerde Elias Canetti dat het nationaalsocialisme het proces van de inflatie in de behandeling van de Joden tot in de finesses herhaalde: ‘Men is nog steeds perplex dat de Duitsers zover gingen om een misdaad van dergelijke afmetingen hetzij mee uit te voeren, hetzij geduld of over het hoofd gezien te hebben. Men had ze bezwaarlijk zover [het uitroeien van miljoenen Joden] kunnen brengen als ze niet enkele jaren tevoren een inflatie hadden beleefd waarbij de markt tot op een biljoenste van zijn waarde kelderde. Het is deze inflatie als massaverschijnsel die door hen op de Joden werd afgewenteld.’

 

Met het monster van de hyperinflatie werd ik zelf geconfronteerd in het Polen van 1987, nog wat later in Joegoslavië, in Ljubljana, waar ik constateerde dat de muntjes, die in normale tijden niet veel waard waren, de papieren dinars in waarde hadden overtroefd. Met die muntjes kon je immers in een telefooncel goedkoop telefoneren. Daar waren ze als het ware immuun voor de inflatie. De eenzijdige waarde van zo’n muntje steeg daardoor zienderogen en overklaste met een aantal veelvouden het belachelijk lage cijfer dat erop stond. Maar vooral verpulverde de inflatie het spaargeld van de burgers en stortte Joegoslavië in een crisis die met een bloedige oorlog en de desintegratie van het land gepaard ging.

 

Ik heb hier in Berlijn een kleine bibliotheek over het fenomeen inflatie aangelegd. Mijn oudste en dierbaarste boek daarover stamt uit de jaren dertig: ‘Sittengeschichte der Inflation – Ein Kulturdokument des Marktsturzes’ van Hans Ostwald (Neufeld & Henius Verlag – Berlin, 1931), een document met verbijsterende teksten en illustraties: extremen van hoogste nood en verkwistendste liederlijkheid.

 

Maar het bezit van een kleine boekencollectie hier kan het gemis van mijn grote bibliotheek daar niet compenseren. Mijn boeken, die ik achterliet, leiden in België een vaag bestaan dat aan mijn controle ontsnapt, al is het de vraag of ik dat toezicht wil. Voor ik vijf jaar geleden naar Berlijn emigreerde, heb ik mijn bibliotheek, die geen enkele systematiek heeft, bij wijze van spreken eigenhandig aan stukken gehakt, in de wetenschap dat ik ze hier op mijn vijftig vierkante meter toch niet kon onderbrengen. Ik heb ze in een zevental blokken verdeeld die door vrienden zijn geadopteerd. Zo heb ik mijn duizenden boeken van een ongelezen, duister en wellicht vochtig bestaan in dozen en kelders gespaard. Alleen het hoogstnodige heb ik meegenomen.

 

Het gevolg is nu dat ik gedwongen ben om bepaalde boeken, waarvan ik weet dat ik ze in België ergens bezit (of toch die illusie koester), maar die ik absoluut en dringend nodig heb, een tweede keer te kopen. Er is niets aan te doen. Ook dat is een soort inflatie, maar niet zo dramatisch.

 

En nu moet ik denken aan een anekdote die Elias Canetti eens heeft verteld. Zijn neef (die ook Elias Canetti heette, maar die daarom niet minder echt was) had in zijn Parijse huis een afzonderlijke kamer met alleen maar boeken die hij nog moest lezen. De schrijver Canetti ontdekte toen in een van de stapels zeventien keer hetzelfde boek. Zijn neef had daar geen flauw benul van. Toen Canetti hem er attent op maakte, repliceerde die verbaasd: ‘Echt waar? Dat boek wilde ik extra goed lezen, het is heel belangrijk.’

 

PS 1 Over het fenomeen inflatie vallen fantastische verhalen te vertellen. In mijn boek ‘Schemerland’ heb ik er een paar opgetekend, maar jammer genoeg niet de anekdote die Egon Erwin Kisch in een van zijn Berlijnse reportages (10 augustus 1923) vertelt. Kisch’ relaas bevat, gecomprimeerd, alle informatie die je nodig hebt om je een sluitend beeld te vormen van het straatje zonder einde (dat raar genoeg ook een slop is) waarin inflatie leidt. Ergens in het jaar 1923 werpt een erudiete, door de inflatie verarmde Berlijnse burger een blik op zijn sjofele kostuum, en merkt bitter op: ‘Nu ben ik eindelijk miljonair. Ik ben benieuwd hoe ik eruit zal zien als ik miljardair geworden ben.’

PS 2 Om het probleem van mijn plaatsgebrek op te lossen, had ik het voorbeeld van Gershom Scholem, professor in de Joodse mystiek, moeten volgen. Hij hing zijn boeken op in netten aan het plafond en klom op de ladder om ze eruit te halen. Scholem was er trots op dat hijzelf noch een boek ooit naar beneden was gedonderd.

 

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: