De demontage van Helmut Schmidt

11 maart 2015

De Duitse ex-bondskanselier Helmut Schmidt heeft veertig jaar geleden in Hamburg een minnares gehad. So what? Niets natuurlijk, ware het niet dat Schmidt  – de vleesgeworden arrogantie – zich zijn hele leven als de exclusieve aanbidder van zijn vrouw Loki (1919-2010) heeft gestileerd, tot zijn zijsprong vorig jaar in de openbaarheid kwam.

Zodra hij in 1974 kanselier werd liet Schmidt zijn Hamburgse minnares vallen als een steen ‘omdat een regeringschef zich geen affaires kan permitteren, zoals hij [Schmidt] met een verwijzing naar zijn voorganger [Willy Brandt] vaak genoeg benadrukte’, aldus de goed geïnformeerde Duitse journalist Klaus Harpprecht in zijn eind vorig jaar verschenen, ontluisterende memoires ‘Das schräge Licht’ (Fischer Verlag). Dat de verlaten minnares er bijna onderdoorging doet hier niet eens ter zake.

Ik kan mijn leedvermaak niet onderdrukken dat de over het paard getilde Schmidt eindelijk wordt aangepakt, al blijven de Duitse media hem om onduidelijke redenen verheerlijken, want er is – vergeleken met bv. Willy Brandt – niets wat Schmidt, qua gedrag een ‘Feldwebel’, als historische figuur memorabel maakt, tenzij dat hij op zijn 96ste nog altijd wil meepraten,  maar dat is eerder een efemere curiositeit dan een blijvende verdienste, zoals Schmidt beter weet dan wie ook.

In zijn pas verschenen boek met de pretentieuze titel ‘Was ich noch sagen wollte’ (Beck) wijdt Schmidt twintig regels aan de affaire met zijn minnares. De populaire Duitse media hebben het over een ‘biecht’,  maar kun je nog opbiechten wat een ander (Harpprecht) al heeft onthuld?

Vorig jaar heeft de historica Sabine Pamperrien Schmidt verder gedemonteerd in haar studie ‘Helmut Schmidt und der Scheißkrieg. Die Biografie von 1918 bis 1945’ (Piper). Daaruit blijkt hoe Schmidt, een gedecoreerd Wehrmachtofficier, zijn oorlogsbiografie heeft opgepoetst.

Op 1 februari 1942 attesteert zijn overste de jonge Schmidt niet alleen ‘organisatietalent’ en ‘doorzettingsvermogen in moeilijke situaties’, maar hij merkt ook op dat soldaat Schmidt ideologisch vast in het NS-gedachtegoed verankerd is: ‘Steht auf dem Boden der nationalsozialistischen Weltanschauung und versteht es, dieses Gedankengut weiterzugeben.’

Andere getuigenissen die Pamperrien uit de archieven over Schmidt heeft opgegraven zijn niet minder lovend voor de jonge officier: ‘Vlekkeloze nationaalsocialistische houding’ (30 september 1943) en ‘Nationaalsocialistische houding onberispelijk’ (18 september 1944).

Schmidt zelf beweert dat hij zich in 1942 definitief van de ideeën en praktijken van het nationaalsocialisme heeft afgekeerd. Pamperrien echter, steunend op archiefdocumenten, betwijfelt dat. Ze verwijt Schmidt na de oorlog aan ‘legendenvorming’ te hebben gedaan. Schmidt sleurde er achteraf zelfs etnische ‘verdiensten’ bij die zijn afkeer van het nationaalsocialisme kracht moesten bijzetten, bv. dat zijn familie voor een kwart Joods was.

Pamperrien heeft Schmidts autobiografische boeken geanalyseerd en ontdekte daarin ‘feitelijke fouten’ en ‘contradicties’. Toen Schmidt voelde dat Pamperrien geen hagiografie, maar een kritische biografie zou schrijven, verbood hij haar om zijn privéarchief in te kijken, hoewel hij haar dat eerder had beloofd.

Sarcastisch merkt de al geciteerde Harpprecht in zijn boek nog op dat Schmidt zijn publiek voortdurend met citaten van Marcus Aurelius en Kant om de oren heeft geslagen, maar dat zijn kennis van die filosofen in werkelijkheid beperkt was tot een paar oneliners. Daarna moest Schmidt zelf bekennen dat zijn kennis van Kant niet verder reikt dan de lectuur van ‘Zum ewigen Frieden’.

 

 

Advertisements

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: