Robert Walser of Nervosine in het dennenbos

21 februari 2015

Ik hou erg veel van Robert Walser, van zijn werk, ook van de man. Robert Walser was even schuw als onrustig. Hij verhuisde van de ene stad naar de andere. Maar zelfs als hij zich ergens voor langere tijd vestigde, bleef hij toch ‘nomadiseren’ of ‘rondzigeuneren’, zoals hij zijn omzwervingen zelf omschreef. Walser hield het nergens lang uit, niet bij anderen, ook niet bij zichzelf. In Bern, waar hij zich in 1921 neerliet, verhuisde hij vijftien keer in zes jaar. Van wat hij zijn ‘schrijverij’ noemde, kon Robert Walser niet leven. Voor een geregeld beroep was hij evenmin geschikt. Walser was even berooid en even trots als de armlastige helden uit zijn verhalen, waarover ondanks al het slapstickachtige een sluier van triestheid hangt.

Walsers teksten werden in kennerskringen al vroeg gewaardeerd. De destijds onbekende Franz Kafka wees zijn vriend Max Brod op de uitzonderlijke kwaliteiten van zijn werk, dat vanaf 1910 in het ‘Prager Tagblat’t begon te verschijnen. Brod moest spitsroeden lopen omdat hij Walser publiceerde: ‘Als cultureel redacteur van het “Prager Tagblatt” heb ik dikwijls gedichten van Robert Walser in de krant gesmokkeld. De chef hield niet van die “gekke dingen.”’

Zijn zeldzame bewonderaars wisten vanaf het begin dat het briljante werk van Walser niet paste in de tijd en dat hij zijn eigen succes niet meer zou beleven. Walser zelf, die geen moeite deed om zijn bohemienreputatie van zich af te schudden, wendde voor  vrij goed te kunnen omgaan met de miskenning van zijn werk. ‘In het algemeen gesproken houd ik niets voor zo gezond als een krachtige portie miskenning, die zeker ook wel nadelen heeft, maar uit de vrolijke verwerking van datgene wat nadelig is, groeit het voortreffelijke,’ antwoordde Walser in 1926 stoïcijns op een enquête van de krant ‘Neue Zürcher  Zeitung’, die aan enkele auteurs had gevraagd of ze vonden dat er in Zwitserland miskende schrijvers waren. Wie bespeurt daarin geen ondertoon van bitterheid?

In de bundel ‘Liefdesverhalen’ (Atlas, 2007) gooit Robert Walser de ernst van de wereld en haar sentimenten voor de leeuwen. De verhalen zijn burleske sprookjes, opgeschreven door een man die besloten heeft om zichzelf voor de voeten te lopen en op te schrijven wat de uitkomst is van deze weerspannigheid tegen zichzelf. ‘Als ik nu geen schrijver, maar een schrijfster was, zou ik hierop aansluitend zo spoedig mogelijk twee boekdelen te schrijven,’ aldus de verteller schertsend op het einde van het verhaal ‘Schets’, een van de vele vertellingen waarin de parodie zich vastbijt in de grote gevoelens uit de stations- en kasteelromans. Want Walser belaagt ons graag in zijn van ironie druipende verhaallappen. Hij doet ons lachen op een manier die ons bevreemdt, omdat hij met literaire middelen aan het komische een dimensie heeft toegevoegd die we nog niet kenden. Zijn verhalen zijn afspiegelingen van een wereld waarin de macht van een hogere ironie de scepter zwaait, wat leidt tot de creatie van een verheven universum dat voortdurend botst met het lapidaire en het triviale, met de banale werkelijkheid waaruit alles is geput en ook wel met het ongeduld van de schrijver, die de wereld op zijn kop zet door zijn operetteachtige en burleske podia te bevolken met schepsels die hij, godgelijk, naar zijn eigen beeld en gelijkenis geschapen heeft.

De uniciteit van Walsers werk zit voor mij in de volgehouden incongruentie van beelden, stemmingen, tonen en natuurlijk ook van walseriaanse idiomen. Alleen in het werk van Robert Walser kunnen personages die Fragmentino of Nervosine heten elkaar ontmoeten in dennenbossen waarin sparren hun ‘schijnheilige baarden’ schudden, waarin de kleur groen ‘diepzinnig’ is of waarin een ooievaar Niagarawatervallen huilt: ‘Als de morgen nadert, staat hij daar nog altijd in zijn nooit genoeg te prijzen smart. Is die even geduldig! En dan te bedenken, dat hij ondertussen verzuimd heeft kindertjes te bezorgen. Hemel, wat een nalatigheid!’

In 1929 werd Robert Walser opgenomen in een sanatorium. Hij overleed op Kerstmis 1956. Zijn lichaam werd in de buurt van Herisau in Appenzell-Ausserrhoden levenloos aangetroffen, bevroren in de sneeuw. Die laatste 27 jaar had Walser niets meer geschreven.

Intussen krijgt Robert Walser in ons taalgebied eindelijk de aandacht die hij verdient. In 2013 verscheen in de Hölderlinreeks van uitgeverij Parrèsia ‘De vrouw op het balkon en andere prozastukjes’ (intro Cyrille Offermans) en recent bij Lebowski ‘De wandeling’, beide in een vertaling van Machteld Bokhove die ook werkt aan de eerste Nederlandse vertaling van ‘Geschwister Tanner’.

PS: Walser en Beckett zijn toch verwante geesten. Ik lach me een kriek om de lapidaire toon van Beckett: ‘Ik lag willoos op bed en er waren drie vrouwen voor nodig om me de broek aan te trekken. Ze leken niet veel belangstelling te hebben voor mijn edele delen, en eerlijk gezegd waren die ook niet bijzonder. Ik had er zelf evenmin belangstelling voor. Maar ze hadden een kleinigheidje kunnen zeggen’ (‘Het einde’).

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: