Over het vermogen van de tijd

16 februari 2015

Tien jaar geleden (donderdag 27 januari 2005) – het is als de dag van gisteren – noteerde ik in mijn dagboek ‘Grimmig heden’ dat Thomas Manns ‘Toverberg’, ontdaan van alle opsmuk en overbodigheid, een imponerend boek over het verstrijken van de tijd is: ‘Routine, gewenning en herhaling zijn de snelste tijdversnellers. De ervaring van twee tijdsbewegingen:een kleine dagelijkse cirkel die traag in een snelle, jaarlijkse cirkel draait. Hoe iets snel en traag tegelijk kan verlopen. Hoe traag verstrijken de dagen in de karos van de voorbijsnellende jaren! Zoiets paradoxaals als “de tijd duurde erg kort en tegelijk erg lang” manifesteert zich ook in Eugène Ionesco’s roman “De solitair”.’ Een bevestiging daarvan vond ik ook in Vasili Grossmans roman ‘Leven en lot’, waarin de schrijver het tijdsbesef van een meisje dat tot de ochtend heeft gedanst op een oudejaarsbal vergelijkt met dat van een man die vijfentwintig jaar in het fort Schlüsselburg opgesloten zat: de som van de korte gebeurtenissen heeft bij het meisje de indruk doen ontstaan van een lange tijdspanne, die de volle vreugde van het menselijk leven bevat, terwijl bij de gevangene het omgekeerde is gebeurd: zijn jaren in de gevangenis zijn opgebouwd uit ondraaglijke lange tussenpozen tussen ochtend- en avondappel, maar de som van die gebeurtenissen levert ook een indruk van snelheid op: ‘En zo ontstaat de indruk van kortheid en eindeloosheid tegelijk, zowel bij mensen op een oudejaarsfeest als bij mensen die decennia in de gevangenis doorbrengen. In beide gevallen is het eindresultaat een sensatie van duur en kortstondigheid tegelijk.’ Nog wat verder bedenkt Grossman dat de tijd alleen houdt van de mensen die hij zelf heeft voortgebracht en dat hij nooit zal houden van de kinderen van een voorbije tijd (‘zoals vrouwen niet houden van helden van een voorbije tijd en stiefmoeders niet van andermans kinderen’).

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: