Ingeborg Bachmann in Berlijn, een voorstudie

10 februari 2015

Was het dan toch een in Berlijn aangekondigde kroniek van de dood? Begin 1965 viel tijdens een party in het huis van de Braziliaanse consul in Berlijn-Zehlendorf een brandende kaars in de schoot van Ingeborg Bachmann (1926-1973), de Oostenrijkse schrijfster en dichteres. Acht jaar later overleed ze door de brandwonden die ze in haar woning in Rome had opgelopen.

Ingeborg Bachmann was ongelukkig in Berlijn. De Zwitserse auteur Max Frisch, met wie ze sedert 1960 samenleefde, had haar in 1962 verlaten voor Marianne Oellers, de jonge vriendin van de dramaturg Tankred Dorst. Bachmann zou de scheiding nooit te boven komen. Ze markeerde het begin van haar ondergang: alcohol, nicotine, slaaptabletten, het psychofarmacon Seresta, paniekaanvallen, migraines, zenuwcrises, een eindeloze reeks opnames in hospitalen met ontwenningskuren die nooit zouden leiden tot het resultaat dat de buitenwereld ervan verwacht.

Bachmann had Max Frisch blind vertrouwd. Haar verdriet om wat ze aanvoelde als verraad was grenzeloos. Ze had geen krachten meer, ze was verlamd, dodelijk vernederd. ‘Maar een feit is dat ik dodelijk gekwetst ben en dat die scheiding de grootste nederlaag van mijn leven betekent,’ aldus Bachmann in een van haar brieven. De scheiding was zo onverwacht gekomen dat Bachmann haar als een daad van geweld had ervaren. Tot overmaat van  ramp vernam ze dat Frisch intieme details van hun leven zou gebruiken in zijn roman ‘Mein Name sei Gantenbein’ (1964). Ze zag de verschijning van de roman met afschuw tegemoet. Ze zou Frisch nooit vergeven dat hij al die vertrouwelijkheden te grabbel gooide, ze was, schrijft ze, op elke plaats van haar lichaam beledigd omdat Frisch van haar ‘een geval’ had gemaakt.

Frisch vond niet dat hij onfair was geweest. Hij had Bachmann de drukproeven van ‘Gantenbein’ bezorgd. Ze intervenieerde bij Suhrkampuitgever Siegfried Unseld en verkreeg dat een passage uit de roman werd geschrapt. Bachmann vertelde verder dat Frisch geruchten over haar verspreidde, onder meer dat ze zijn huis binnengedrongen zou zijn met de bedoeling het manuscript van ‘Gantenbein’ te vernietigen. Had het niet gekund? Bachmann had eerder in Frisch’ woning in Zürich het dagboek van hun gemeenschappelijke jaren ontdekt en het woedend in het vuur gegooid.

Na de scheiding was er niets dan woede, ontzetting en ontreddering in het leven van Ingeborg Bachmann. Getraumatiseerd, verraden, stikkend onder een stolp van eenzaamheid, ontwierp ze onder de schok van de scheiding de prozacyclus ‘Todesarten’, maar pas in de zomer van 1964 vond ze de kracht om dat project te realiseren. Ondanks alle rampen hield ze vast aan haar schrijverschap, dat haar anker was. Ze vestigde zich in april 1963 met een beurs van de Ford Foundation in West-Berlijn, de door de Koude Oorlog geschonden stad: Berlijn als metafoor voor de verscheurde conditie waarin ze zelf verkeerde. Dat thema werkte ze uit in ‘Ein Ort für Zufälle’, de speech die ze hield toen haar in 1964 de Büchnerprijs werd toegekend. (Ook in het werk van Georg Büchner is sprake van een breuk die door de schepping gaat: ‘Das leiseste Zucken des Schmerzes, und rege es sich nur in einem Atom, in einen Riß in der Schöpfung von oben bis unten,’ zegt Payne in Büchners drama ‘Dantons Tod’.)

Bachmann had maar weinig vrienden in Berlijn: Uwe Johnson, de schrijver van de Berlijnroman ‘Zwei Ansichten’ (1965) en Hans Werner Richter, die de literaire Gruppe 47 propageerde en samenhield. Aanvankelijk ging ze vooral om met de tweeëntwintig jaar oudere Witold Gombrowicz, de Poolse schrijver die in Argentinië was blijven hangen nadat Hitler in september 1939 door zijn inval in Polen de Tweede Wereldoorlog had ontketend. Voor Bachmann was Gombrowicz, die in West-Berlijn was verzeild geraakt, ‘de eenzaamste mens’. Ze maakte met de Pool wandelingen door Berlijn en herinnerde zich later hoe ze hem had bijgestaan. Ze waren bondgenoten in de eenzaamheid: ‘Ik herinner me dat we door de voor ons beiden zo vreemde straten van Berlijn liepen en vaak lachten en riepen: Voyez, il y a quelqu’un, want de straten waren zo oneindig leeg, toch voor ons.’ In hun vertwijfeling – ‘toch voor ons’ – vonden ze elkaar in een galgenhumor die paste bij de sfeer van de stedelijke torso. Ze citeerde Gombrowicz: ‘Uiteindelijk, zei hij, wij, u en ik en de anderen, we zullen hier collectief zelfmoord plegen en de arme Ford Foundation zal die nog betalen ook.’

‘Haar alleen-zijn viel op in deze stad,’ herinnerde Uwe Johnson zich. ‘Het was een slechte tijd voor Ingeborg Bachmann,’ noteerde Walter Höllerer, de stichter van het LCB (Literarische Colloquium Berlin), gelegen aan de oever van de Wannsee. Bachmann woonde toen al niet meer in een flat van de Akademie der Künste in de Tiergarten, maar in een somber spookhuis in de Königsallee nummer 35 in Grunewald, waar ze tot 1965 met onderbrekingen zou vertoeven. Het ging niet goed met haar.

In Berlijn, 1963, schrok uitgever Siegfried Unseld van Bachmanns conditie: ‘De toestand van Ingeborg is diep te betreuren. Niemand kan haar helpen, dat weet ik uit ervaring met haar ziekten, tenzij dat een man, een vermogend man, zich over haar zou ontfermen, en met vermogend bedoel ik niet alleen het materiële, maar een man met veel tijd die hij aan haar kan besteden.’ In die tijd veinsde Bachmann dat ze niets meer schreef, wat niet klopte, al publiceerde ze geen letter. Ze leerde in West-Berlijn begrijpen dat private ongelukservaringen een individu even hard kunnen treffen als een historische tragedie, bijvoorbeeld de oorlogservaringen die ze in haar geboortestad Klagenfurt had ondergaan en die haar werk zouden blijven tekenen. Maatschappelijke en private catastrofes schoven in en over elkaar, een overvloeien dat ze ook als procedé in haar literaire werk hanteerde. Haar afkeer voor de politieke restauratie beheerst haar oeuvre niet alleen onderhuids.

Bachmann probeerde zich in Berlijn te verstrooien door samen met Uwe Johnson en Hans Werner Richter door de dreven van Grunewald te fietsen. Ze hadden zich georganiseerd in wat je een wielerclub zou kunnen noemen, maar echt helpen deed het niet. Richter: ‘Ze leed in Berlijn, meestal had ze het koud, alles was haar te koud, te nuchter, te zeer zonder het leven zoals ze het wenste.’ Ze kon haar aangeslagen fysieke en psychische conditie niet voor de buitenwereld, waarin ze als schrijfster een grote reputatie had, verborgen houden. Er waren opflakkeringen van levenslust, maar die speelden zich af in een haard van moeheid en lethargie. Een keer reed ze in de winter met de auto naar Praag, maar moest de reis afbreken toen ze in de DDR in de sneeuw wegschoof en in de vangrails belandde. Ze kon niet aarden in Berlijn, niet in de sfeer, niet in de taal. De sfeer: ‘Hier is het elke dag zo grijs dat ik niet in staat ben om het te beschrijven, je kunt niet slapen en je kunt niet opstaan en ik kan Berlijn niet graag hebben, ik kan het werkelijk niet.’ De taal: ‘Ons denken is anders omdat onze taal anders is.’ Ze was niet Duits, ze was Oostenrijks, en toen ze in Polen was noemde ze zich Slavisch. Ze was een geestelijke dochter van Joseph Roth.

Ook in Berlijn schreef ze brieven aan Max Frisch, epistels die ze niet verstuurde, hoewel ze repliceerde op zijn antwoorden die ze zelf verzon. Ze was gek van verdriet. Ook in het amfitheater van Taormina, waar de Russische dichteres Anna Achmatova in december 1964 een literaire prijs ontving, liet ze Hans Werner Richter in haar afgrond kijken. Richter: ‘Haar tranen van toen in die half vervallen antieke wereld hebben me nooit helemaal verlaten. […] Nee, ik troostte haar niet, ik vond ook niet de woorden die haar hadden kunnen troosten. Mijn troost, dat wist ik, was overbodig, hij had niets kunnen veranderen.’ Op het einde van de plechtigheid stortte Bachmann in. Richter: ‘Ze hield haar hele leven voor waardeloos, ze had het verprutst, weggegooid, niet geleefd zoals ze misschien had kunnen leven. Het was een crash en wel meer dan dat: het grensde aan de bedoeling een einde te vinden, de kwelling en de last van haar leven leken haar te groot. Ik sprak over haar successen, van het grote aanzien dat ze genoot, maar al mijn woorden gingen in rook op, ze bereikten haar niet.’

Sinds de scheiding van Frisch had Bachmann het gevoel dat ze geen bodem meer onder de voeten had. Ze verliet Berlijn en vestigde zich in Rome, Via Bocca di Leone, maar eigenlijk wilde ze terug naar Wenen, naar het patroon van haar jeugd dat Heimat heette. Terwijl ze de laatste hand legde aan haar roman ‘Malina’ vernam ze de zelfmoord van haar grote liefde, de dichter Paul Celan, die zich in 1970 in de Seine verdronk: ‘Ik heb hem meer liefgehad dan mijn leven.’ Ze verhuisde naar de Via Giulia 66 in de buurt van de Tiber, ze stond onder enorme spanningen omdat ze vreesde dat de scheiding van Frisch haar alsnog van haar taal zou beroven, terwijl haar werk toch al in het teken stond van een overwinnen van weerstanden, van een weerzin van wat uitgedrukt moest worden. Altijd weer maakte ze vergeefse plannen om naar Oostenrijk terug te keren en zich in Wenen te vestigen, want daar, in de Habsburgse cultuurruimte, hoorde ze thuis ‘hoewel ik geboren werd toen Oostenrijk al niet meer bestond. Maar onderaardse dwarsverbindingen gelden voor mij nog altijd, en de geestelijke vorming heeft mij dit land, dat er geen is, gegeven.’

Maar Rome is haar laatste adres. Als een van haar Romeinse vrienden haar in de zomer van 1973 bezoekt, schrikt hij van de hoop tabletten die ze slikt, zeker honderd per dag. De vuilnisbak puilt uit van de lege verpakkingen. Ze slaagt er nauwelijks nog in een zin helemaal uit te spreken. ‘Ze zag er slecht uit, was wasbleek. En over het hele lichaam vlekken. Ik probeerde te achterhalen wat het kon zijn. Dan, toen ik zag hoe een Gauloise die ze rookte uit haar hand gleed en op haar arm uitbrandde, wist ik het: brandwonden, veroorzaakt door vallende sigaretten.’

In de nacht van 25 op 26 september wordt zo’n sigaret Ingeborg Bachmann noodlottig. Haar slaapkleed vat vuur. Ze slaagt er nog in om haar huishoudster te bellen met de vraag om brandzalf mee te brengen. Te laat, haar huid is voor bijna veertig procent in de tweede en derde graad verbrand. Ze sterft, 47 jaar, in de kliniek Sant-Eugenio in Rome. Heinrich Böll in een hommage: ‘Haar indringend getekende beelden van de afgronden der liefde en het eeuwig terugkerende drama der geslachten treffen haar lezers nog altijd in het hart.’

Ingeborg Bachmann voelde zich uitgewist door Max Frisch. Geen twijfel dat er in Bachmanns ‘Das Buch Franza’ in naam van de schrijfster over Frisch gesproken wordt: ‘Hij heeft me mijn goederen afgenomen. Mijn lachen, mijn tederheid, mijn kunnen-verheugen, mijn medelijden, kunnen-helpen, mijn animale natuur, mijn stralen, hij heeft elk afzonderlijk opkomen van dit alles uitgetrapt, tot het niet meer is opgekomen. Maar waarom doet dat iemand, dat begrijp ik niet, maar het valt ook niet te begrijpen waarom de blanken de zwarten hun goederen hebben afgenomen, niet alleen de diamanten en de noten, de olie en de dadels, maar de vrede, waarin de goederen groeien, en de gezondheid zonder welke men niet kan leven.’

(Ingeborg Bachmann, Werke, Piper Verlag; Andrea Stoll: Ingeborg Bachmann: Der dunkle Glanz der Freiheit, btb; Max Frisch: Gesammelte Werke, Suhrkamp).

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: