Demonen

8 februari 2015

Nog 1 keer een korte roman schrijven, de laatste, zodat na ‘Hotel Silesia’ en ‘De adamiet’ de triptiek van een leven wordt voltooid. Eerder atmosfeer dan thema: de esthetische uitbuiting tot op het bot van totaal verwoestende en verwoeste emoties, een fictieve autobiografie van een annus horribilis, vormgegeven door een extreme, moordende verhouding, zo traumatisch en steriel dat ze alleen nog door de paradoxen van de taal kan worden bezworen en bevrucht: een nooduitgang waaruit de koudste vlammen slaan. Tussen de regels, opgezweept door het janken van een cello, dansen en blazen weer alle, door vreemdheid verbonden, vertrouwde demonen, nabij in de door liefdeloosheid getekende of gestrafte persoon van Max Frisch, Ingeborg Bachmann, Witold Gombrowicz, Paul Celan, Uwe Johnson, Thomas Bernhard en Heinrich von Kleist, ver in de klanken, stemmen en gebaren van Hans Werner Henze, Maria Callas en misschien Margot Fonteyn of Polina Semionova en nog verder, tastend in de blindheid van Jorge Luis Borges, wiens naam ook Gantenbein had kunnen zijn. Maar de namen doen er niet toe, het zijn slechts prothesen, codes, chiffres, bliksemschichten die op het podium springen om de totalitaire wereld te breken in het prisma van een verwoestend licht. De beelden – obsessies, trauma’s, verstoringen – rollen in het hoofd als losse kruitvaten in het ruim van een schip dat met noodweer kampt, niet in geschenkpapier, maar in prikkeldraad. Alleen: kan ik, als ik niet een ander ben, het nog eens aan, na die twee romans die me hebben vermoord, of beter, die me, omdat het grotesken zijn, op een haar na hebben vermoord?

 

 

Advertisements

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: