De sprong naar het zuiden

26 december 2014

Uit Berlijn vertrok ik als een lekkend vat, maar met ‘De Thibaults’ van Roger Martin du Gard in mijn rugzak, in de diepe overtuiging dat de roman iets voor mij kon doen wat ikzelf nog niet wist, maar wat me tijdens het reizen geopenbaard zou worden, aanvankelijk meer door zijn omvang dan door zijn inhoud. Het boek was een lege ballon waarin ik had plaatsgenomen en waarin ik ruimte won door hem op te blazen. Toen begon ik te reizen, met het vaste voornemen het boek ter hand te nemen op elk moment dat er in mijn oppervlak werd geprikt. Na een paar honderd bladzijden merkte ik dat de opzet slaagde. Het boek begon uit eigen beweging de spleten en gaten te lijmen van de ton waarin ik was gaan zitten en die ik misschien zelf wel was. En elke opening, elke breuk, elke scheur lijmde het met de beste zinnen, waarvan er – ondanks de soms belegen thematiek, die me helemaal niet stoorde – meer dan genoeg waren, passages die ik in de marge aanstreepte met mijn potlood, zoals de zin waarin de deemoed van monsieur Thibault er ondanks zijn inspanningen niet in slaagt zijn hoogmoed te vloeren: ‘Hoogmoed heeft zulke diepe wortels dat hij op het moment van zijn vurigste berouw met een wonderbaarlijke voldoening van zijn deemoed genoot.’ Zo’n zin is het hars dat smaak geeft aan de inhoud van de ton die ik teer voor mijn overtocht naar Thessaloniki, naar Chrysavgi, einde mei, als de lente met groene ijzers en volle dooiers de kou in de bergen breekt. Hoezeer verheug ik me Berlijn te begraven in de golven die de dolfijnen baren of die door de dolfijnen worden gebaard.

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: