Eros

20 december 2014

In ‘Tumult’ (Suhrkamp 2014), een terugblik op de jaren zestig, schrijft de 85-jarige Hans Magnus Enzensberger dat hij zich graag door N., de halve Braziliaanse met het zuiderse temperament, liet verleiden. ‘Ze is in de liefde dierlijk sterk, maar zonder een spoor van tederheid.’ Zulke vrouwen valt het gemakkelijker zich uit te kleden dan hun gevoelens te ontbloten, wat tot het fatsoen van het zuiden behoort, aldus Enzensberger, die de noordelijke mannen geen ontsnappingsroute biedt, want ‘ze zijn gekrenkt als een vrouw het redt zonder de leugens die de beschaving haar aandoet.’ De passage is wat cryptisch. Wellicht bedoelt Enzensberger dat de noordelijke vrouwen gedwongen worden om gevoelens te veinzen? Ik weet niet of Enzensbergers stelling helemaal klopt, al spreekt ze me aan. Volgens mij ontbreekt er iets aan zijn redenering, iets wat tussen dierlijkheid en tederheid zit, iets wat de cirkel sluit in de trant van: wat minder vrouwelijk begrip (en wat minder mannelijk beroep op dat begrip) en wat meer tastbare eros zouden tot wat meer begrip kunnen leiden. En wellicht ook tot meer poëzie. Goethe, bijna veertig jaar en verteerd door hunkering naar zijn eerste copulatie, moest uit Weimar wegvluchten van de preutse, passieloze, harteloze hofdame Charlotte von Stein om in de armen, tussen de rondingen en in de diepten van de jonge Italiaanse weduwe en dienster Faustina in de Romeinse Osteria alla Campana zalig te rijpen voor de erotische lofzang die hij in zijn ‘Römische Elegien’ in klassieke hexameters heeft aangeheven. (Zie ook K.R. Eissler, ‘Goethe. A Psychoanalytic Study’, 1963). Lust als proloog van vorm, eros als conditie voor reflectie en herinnering.

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: