Hoe ik toch geboren werd, een scherzo bij een begrafenis

22 oktober 2014

Het gebeurde in de periode – ze duurde acht maanden en sleept nog aan – dat ik te ziek en depressief was om deel te hebben aan de deelachtigheid. Een ongelukkige liefdesgeschiedenis had me geveld, zodat ik op mijn rug lag, op mijn buik de sterretjes tellend die ik zag. De extreme wisseling van stemmingen – droefheid en razernij – had me zo uitgeput dat mijn tong droog en roze was en vooral tot op de grond hing van vernedering. Ik sleepte me naar de put, die ik de eerste drie dagen met gin en whisky had gevuld, maar zeeg ineen voor ik de rand had bereikt: een ontnuchterende ervaring. Zelfs om aan lagerwal te raken moest er een oneffenheid zijn die helaas nergens voorkomend was. Me concentreren was onmogelijk, want hoe had ik in de eeuwige nacht de schaduw van mezelf kunnen zijn? Toen drong het tot me door wat het betekende een spook te zijn. Nu was alles onmogelijk, zodat ik de deuren en de vensters liet openstaan omdat ik de kracht niet vond om zelf de kaarsen uit te blazen. Ten einde raad ging ik op mijn hoofd staan. Met het laatste bloed dat naar mijn hersens zakte kwam ik tot het inzicht dat ik me moest ontdoen van de ronde kei, die mijn verloren geliefde me geschonken had, een steen die in de hel was geaard. Die kei was het oog van het kwaad dat zich aan mij had vastgezogen. Gedurende twee dagen verzamelde ik mijn laatste krachten, al waren dat afgezaagde krukken die zelf ondersteuning behoefden. De buitenlucht woog als lood op mijn borst, vooral toen ik na al die weken weer probeerde te ademen. Ik ging in het midden van een grasperk met purperen kuiven staan, onder het gras waarin ik gebeten had. Ook de kei was loodzwaar. Ik legde hem in mijn handpalm en gooide hem met verenigde krachten achter me, zoals gelovigen een handvol erwten achter zich werpen om van hun ongelukken, hun zonden, hun nierstenen – in één woord hun aambeien en hun vrouwen (en hun geloof) – af te komen. Nooit had ik gedacht dat er nog zo veel kracht in me was, want achter mij ging een venster aan scherven. Maar in de vensteropening stond geen man met gebalde vuist en bloeddoorlopen ogen, maar een vriendelijke kater die zijn laarzen al had uitgetrokken. Met zijn snorharen wenkte hij me om naderbij te komen en maakte me erop attent dat scherven niet altijd geluk brengen, maar wel als je, zoals ik, je eigen ruiten ingooit. En hij vertelde me dat Goethes carrière was begonnen met een orgie van kapotgeslagen potten die het verwende jongetje in de Frankfurter Hirschgraben onder aanmoediging en jolijt van de buren over het hek op straat was blijven gooien. Het hele servies ging in ‘Dichtung und Wahrheit’ aan diggelen tijdens die lawaaierige openluchteenakter waarin de knaap solo optrad voor zijn eerste publiek. Toen rolde de kater zijn staart uit en trok me naar binnen, op eigen kracht had ik het niet klaargespeeld. De boekenrekken in de lege kamer waren leeg, behoudens één boek, dat een dichtbundel bleek te zijn die ‘Even dit’ heette. Inmiddels hoorde ik een krachtig gehinnik achter me, zodat ik niet verbaasd was dat de kater een gedaanteverandering in een machtig paard had ondergaan. Het toonde me zijn vriendelijk gebit, waarin ik me spiegelde terwijl ik de bundel opensloeg op het gedicht dat ‘Traktaat’ heette, omdat het paard zei dat het daarin de hoofdrol speelde.  En ik las in dat gedicht hoe de Amerikaanse dichter William Carlos Williams zijn stadgenoten leerde hoe ze een begrafenis moesten regelen, en vooral hoe ze de met paarden bespannen lijkwagen moesten trakteren: ‘Sla het glas eruit!/ Goeie god – glas, stadgenoten!/ Waarvoor? Moet de dode erdoor/ naar buiten kijken of moeten wij zien/ hoe goed behuisd hij is of/ hoeveel bloemen hij al dan niet heeft – / of wat?/ Om hem niet nat te laten regenen of sneeuwen?/ Hij zal ras zwaardere buien te verduren hebben:/ kiezelstenen en modder en weet ik veel.’ Ik barstte uit in een onbedaarlijke lach, schokken die mijn lichaam vulden als truffels de kerstkalkoen. Zo kwam ik mijn depressie te boven dankzij een poëem, dankzij een kater die een paard was en vooral dankzij de vermaledijde kei die via het gebroken venster in dat opbeurende begrafenisgedicht van William Carlos Williams was beland om er het water van mijn gitzwarte poel te breken, zodat ik toch geboren werd.

(‘Even dit’, gedichten van William Carlos Wlliams, vertaald door Huub Beurskens, Meulenhoff, 2006).

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: