Landing in Sheerness-On-Sea

6 september 2014

Sheerness-On-Sea. Schier aan zee. Maar ik voel geen eiland (Sheppey), misschien omdat ik geen voeten heb. Marine Parade, een promenade. Als ze konden, rezen mijn haren nog hoger te berge dan de Muur die zich weert tegen de Thames – of is het al de zee?

Seaview heet het café in de Alma Road, maar er is wijd en zijd geen zee te bekennen, maar goed dat de kroeg gesloten is. Marine Parade – wie zou hier willen paraderen? Een dode vrouw duwt een kinderwagen voort in de schaduw van de drie maal manshoge Muur, die hier geplaatst is omdat God tijdens het scheiden van de elementen zijn hand heeft afgehakt. De Muur ziet eruit als breiwerk, stekeblind, een bruine pull, met symmetrische Führermotieven. This area is likely to be flooded.

Voor het huis nummer 26, dat zoals andere marineparadehuizen een spitse villa probeert te zijn, staan een blauwe en een groene vuilnisbak op een ommuurd koertje met smerige tegels tegen elkaar geschurkt, vrolijker kleuren verrotten erin. De huizen verdrijven de tijd door aan elkaar te palen. Allemaal zijn ze on sale. Ze hebben steile trappen met zeven treden opwaarts die naar een ander voorgeborchte leiden. Hier moeten mensen wonen.

Op het vasteland ziet het schroot er deftig uit, opgevreten door neerslachtig zout dat zich op de staalfabriek heeft afgezet. Tegenover huis nummer 26 schittert een ambulant stadstoilet met muntgleuf en lijnt een parkeerplaats voor een invalide. De bewoner van de Marine Parade die de zee wil zien, ligt met een fles gin in bed, met braaksel in zijn oog. Want het is onmogelijk om de zee te willen zien, die loden wieg. Tegenover de Seaview staat een al even gesloten kroeg, de Napier, achter sperhout. Wat zien de stoelen achter het bestofte vensterglas er bekrompen uit, hoe roze bloeien de plastic stengels achter het bord met het vertwijfeld opschrift Sunday Roast.

En dan buiten, boven de voordeur van de Napier, het balkon dat urbi et orbi et mari op twee gele zuilen steunt. Ik wil dat allemaal niet opschrijven, ik had toch op Capri moeten zijn en zie me hier nu staan met mijn macchina da scrivere die nergens onderdak vindt. Wat een leegte links en rechts van de Marine Parade, links in de verte de spits van een kerk of kapel die weer eens in de ruimte priemt, rechts een weg die overgaat in een andere weg waarop het regent. Wat is de eindeloosheid hier volwassen. Wat heeft ze het karakter van een blind alley zodra ik mijn ogen open.

Er is geen ontkomen aan de vlucht die ik in een zwarte mantel onderneem, een dubbele wodka met tomatensap, ijs en citroen in de rechterhand en in de linkerhand een bus met peper om in eigen kont te strooien als ik vaart verlies. Ik heb mijn opvoeding stevig in de hand.

Ik ben op weg naar het Halfway Cemetery waar ik tussen Sheerness en Queenborough met lichtjes in mijn ogen veilig land.

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: