Zwemmen

20 juli 2014

Al dagen staat de zon onveranderlijk aan de hemel en scheidt zijn lome hitte af. Maar in Krumme Lanke aan mijn deur zwem ik niet, tenzij heel vroeg in de ochtend, dus zes uur. Later zijn er de honden, die er verboden zijn, maar die toch de oevers beschijten om daarna door hun onopgevoede bazen en bazinnen met een geslingerde stok in het water te worden gejaagd om er hun kont aan af te vegen. Later op de dag zijn er ook te veel oude mannen, die onbeweeglijk als ruïneuze sculpturen in het grasveld staan, totaal naakt, doorgaans met geprononceerde penissen, die, groot of klein, uit geschoren velden hangen. Geen vrolijk gezicht. Daarom stap ik liever met de fiets op de trein, en stap vijf stations verder in Wannsee uit. En dan pedaleer ik gezwind langs de Kronprinzessinnenweg en sla op de hoek waar Loretta bier schenkt rechts de Königstrasse in (sorry Heinrich von Kleist in de Bismarckstrasse, even geen tijd) en rijd over de brug die de kleine van de grote Wannsee scheidt, en kijk, even verder nog eens rechts duikel ik al in de diepte, in de weg die Am Grossen Wannsee heet, laat de Liebermannvilla met godentuin in de Colomierstrasse rechts liggen en fiets voorbij de bloedvilla die Haus der Wannseekonferenz heet en ben al in de Uferpromenade, waar ik op zijn sokkel het achterwerk van de Flensburgleeuw zie glanzen, en aan de overkant Wannsee Bad met zijn schetterstemmen, maar wat is hier overkant in dit waterlabyrint? En nu fiets ik langs de Uferpromenade richting Potsdam, en kilometers lang welft zich een groen baldakijn over mijn hoofd, zodat ik voor de duur van de rit een gekroond hoofd ben, op mijn schedel een lauwerkrans die van geen ophouden weet. En nu maar doorgaan, tot badplaats Alter Hof, waar de oever een tong maakt die hij uitsteekt naar het Pfaueninsel (waar de kleine Walter Benjamin tevergeefs naar pauwenveren zocht), namelijk tot aan het Wasserrettungsstation, waar de redders roken tot ze een drenkeling ophalen uit verveling. Daar loont het om te zwemmen, daar zijn geen beschijtende honden en geen oudemannenhangers: daar zijn de zwemmers die zich de moeite hebben getroost om te voet of met de fiets hun decente strandje te bereiken. Daar dobberen de bootjes, daar pieken de kinderstemmen in een kakofonisch koor dat in zinloze haast over het water scheert tot het weer vlak genoeg is voor een overtocht. Daar lig ik op mijn rug, de bril op de neus, de muts op het hoofd, en doe niets anders dan drijvend drijfnat zijn. Nauwelijks wolkjes,  geen geblèr, de oren al vol zalig water tot dovemansoren toe. En dan weer de fiets op en via de Sankt-Peter-und-Paulkirche links in de hoogte een paar kilometers verder naar het Wirtshaus Moorlake, waar de landtong van Sacrow aan de overkant stijf van lust staat en zich opricht om de opening van Moorlake te penetreren, maar zonder aanstoot te geven, want wie het wil zien gebeuren moet een beroep doen op de plattegrond. En in die opening staat het Wirtshaus Moorlake, waar de kelners, van de beste Berlijnse tongriem gesneden, met hun pullen bier manoeuvreren tot je dorst ervan over is, en ik zit gelest op de schitterendste plek van Berlijn, waar water en land me niet serener kunnen paaien. En nu heeft de zwemlust me te pakken en haast ik me om dit inderhaast geschreven stukje in de fles te stoppen en toe te vertrouwen aan al wat stroomt. En nu de trein op, de fiets op, het water in en over een uur of drie terug, met Berlijn als een bol van water verzadigde aarde in mijn mond, zodat ik zijn lof kan zingen.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: