Een Sixtijns kapelletje

21 december 2013

Worsteling met ‘Lettergrepen’, ik kom er niet uit. Het is een lastig kind, dat me ’s nachts uit mijn slaap houdt. Ik ben er al een keer in het donker over gestruikeld. In de spiegel zag mijn neus zo blauw dat ik hem tussen de doopsuikertjes had kunnen deponeren. Maar het kind was tamelijk ongedeerd.

Het kind heeft vlekjes, bij nader toezien. In een barenswee, een neiging tot al te dichte compressie, is ‘het breviarium’ een ‘brevarium’ (p. 53) geworden, het woord heeft een ‘i’ afgestoten, en wel net voor de ‘a’, waardoor de fout een uitzonderlijk ezelachtig karakter krijgt.

En wat moet ik met de mededeling (p. 55) dat we ‘de grote schrijvers’ en ‘zijn’ personages op straat kunnen ontmoeten? ‘Zijn’? Laten we maar aannemen dat het zinsdeel ‘de grote schrijvers’ het resultaat van een compressie is, zodat je dat meervoud als een enkelvoud moet lezen, of als een collectief, of als ‘de literatuur’ tout court in de geest van Jorge Luis Borges, die mijn voorstel om als mijn advocaat op te treden heeft aanvaard op voorwaarde dat ik hem geen honorarium betaal.

Tijdens ons geïmproviseerd proces verwijst Borges naar de stelling van Angelus Silesius (‘Cherubinischer Wandersmann’) dat alle gelukzaligen één zijn, waaruit de Argentijn concludeert dat die eenheid ook voor de literatuur geldt, en niet voor de afzonderlijke schrijvers. In zijn essay ‘De bloem van Coleridge’ huldigt Borges immers de doctrine ‘dat alle auteurs één auteur zijn’. Geen wonder dat de kwestie van het plagiaat voor Borges niet bestaat: ‘Ik voor mij heb jarenlang gedacht dat de schier onuitputtelijke literatuur in één mens zat.’

Nabokovs roman ‘De gave’ (p. 112) wordt een tweede keer als ‘De Gave’ (p. 133) gepresenteerd. Wat moeten we daarvan denken? Ook titels kunnen elkaars verwrongen spiegels zijn, en lachen in het donker. Ik stel me voor dat Nabokov er een draai aan zou geven en de afwijking zou voorstellen als de Garve waarin de halm galmt, of als een bolhoed die een buishoed heeft opgezet.

En verder heb ik een keer een aanhalingsteken (p. 146) vergeten te plaatsen, maar dat beschouw ik als een goede daad, omdat ik op pagina 68 de leestekens als folterinstrumenten heb gepresenteerd: de punten nagels, de komma’s haken, de uitroeptekens hamers. Ik heb dat aanhalingsteken onbewust weggelaten om het woord dat eraan voorafgaat niet in de handen van de roversbende der leestekens te laten vallen.

Een lastig kind, zei ik. Een gecomprimeerd kind vooral, omdat ik het manuscript van 500 pagina’s op 50 bladzijden heb samengeperst, zodat mijn baksteen een frisbee is geworden. Dat was ik de geest van het boek ook wel verschuldigd. Toch blijft het kind, dat moest krimpen om zijn ware grootte te bereiken, een duizendpoot die blijft scharrelen, opdat de grond rul, vruchtbaar en voor het graan bekoorlijk blijft.

Een lezeres schrijft me dat ze ‘Lettergrepen’ heeft ervaren als een fresco, zowaar als Michelangelo’s Schepping op het gewelf van de Sixtijnse kapel, met al die figuurtjes. Wat een schromelijk overdreven compliment, ik moet het afwijzen, zelfs een kapelletje zou niet betamen (tenzij dat kapelletje een estaminet zou zijn). Maar op een ander niveau zit er een vonk van waarheid in, want die lezeres zegt ook dat bijna elk fragment uit ‘Lettergrepen’ een ander fragment aanraakt om het te bezielen, zoals ‘de zwevende God op het gewelf van de Sixtijnse kapel op het punt staat Adam met de top van de rechterwijsvinger aan te raken’. Hemeltje!

Niettemin, een lastig kind, een beetje astmatisch en in de war, omdat de Schepper te hard in zijn luchtpijp heeft geblazen. Geen wonder dat ik ’s nachts wakker lig en luister naar het ademhalen, en dat ik om hem niet te breken de Schepper voorzichtig met mijn uitgestrekte pink berisp.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: