Het navelnapje van Rudolf Lorenzen

1 december 2013

Rudolf Lorenzen, 91 jaar en de schrijver van de grandioze roman ‘Allesbehalve een held’ (1959) is dood. Zijn eerste vrouw leerde Lorenzen, die toen in Beieren voor een reclamebureau werkte, op een bijzondere manier kennen. Begin jaren vijftig las Lorenzen in de krant een reportage over jonge, werkende Duitse vrouwen die moeite hadden om in het naoorlogse Duitsland een man te vinden. Duitse mannen waren toen schaars. De auteur van het krantenstuk was de Berlijnse journaliste Annemarie Weber. Lorenzen schreef haar een brief met de vraag of ze hem niet zo’n werkende en dus geëmancipeerde vrouw aan de hand kon doen, want hij wilde trouwen, maar alleen met een vrouw die voldoende bezigheden had om niet aan kinderen te denken, want die wilde hij niet. Het antwoord van de journaliste was negatief. Ze schreef Lorenzen terug om hem mee te delen dat ze maar één vrouw kende die alle in haar stuk genoemde eigenschappen in zich verenigde, namelijk zijzelf. Lorenzen reisde vanuit Beieren naar Berlijn en trouwde met haar.

‘Allesbehalve een held’ speelt zich ook aan het oostfront af. Lorenzen brengt in de roman verslag uit over zijn eigen ervaringen als soldaat in de etappe. Hij heeft het ook over de teruggekeerde Duitse soldaten. De meeste overlevende Duitse mannen waren, zoals men zich kan indenken, niet erg vriendelijk voor hun vrouwen. ‘Mannen waren na de oorlog niet alleen schaars,’ aldus Lorenzen, ‘als ze trouwden wilden ze ook over hun vrouwen heersen. Die mannen vonden het beeld van een echtgenote die de kost won gewoon ondraaglijk.’ Maar zo’n man was Lorenzen niet.

‘Ze hadden nooit mogen terugkomen’, zegt de vrouw in Monica Marons roman ‘Animal triste’ over de Wehrmacht-vaders die psychisch en fysiek verminkt uit de Russische steppen kwamen afgezakt. Voor de vrouwen was de terugkeer van die mannen een hel. Tijdens de oorlog hadden die vrouwen, die er alleen voor stonden, veel kennis opgestoken. Maar toen hun mannen uit de oorlog terugkeerden moesten die vrouwen veinzen dat ze nog even onhandig waren als voor de oorlog, gewoon omdat die vrouwen bang waren om het laatste restje zelfbewustzijn van hun mannen, die de oorlog verloren hadden, te vernietigen. Die vrouwen kropen vrijwillig weer onder het oude juk. Ze moesten tegen beter weten in beweren dat ze de eenvoudigste dingen niet aankonden, dat ze bijvoorbeeld geen zekeringen met zilverpapier of metaaldraad konden repareren. ‘Ze durfden niet eens meer in lachen uit te barsten.’

Maar terug naar de dode Rudolf Lorenzen. Zes jaar geleden had ik in Berlijn een lang gesprek met hem. Een van zijn tweedewereldoorloganekdoten zal altijd in me blijven resoneren. Hij vertelde over de militairen van het Rode Leger die erop stonden dat de lijken van de gesneuvelde Duitse soldaten genummerd werden. Dat karwei werd opgeknapt door een Duitse krijgsgevangen soldaat, ‘de schilder’. De schilder mengde zijn aardkleurige verf op de buik van een dode Duitser, wiens navel hij als verfpotje gebruikte. De inhoud van zo één napje was precies genoeg voor het aanbrengen van de cijfers op de huid van vier lijken.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: