Bij de dood van een criticus

20 september 2013

In 2000 interviewde ik Marcel Reich-Ranicki (1920-2013), de Duitse criticus van Pools-joodse afkomst wiens ouders door de nazi’s waren vermoord en die zelf ternauwernood aan de dood ontsnapte. Samen met Tosia, zijn levensgezellin, die hij als jongeman in het Warschause getto had leren kennen, slaagde hij erin aan de deportatie naar de dodenkampen te ontkomen door onder te duiken bij een Pools gezin.

Tijdens dat gesprek in Frankfurt vertelde hij me: ‘De afschuwelijkste herinneringen heb ik aan de tijd na de vlucht uit het getto, toen we in het zogenaamde Arische deel van Warschau waren ondergedoken. Mijn vrouw en ik waren verborgen bij een Poolse familie. Ze waren arm en ze hadden niet veel te eten. Elke keer dat Bolek, de Poolse man, meende dat we moesten vertrekken omdat de situatie onhoudbaar begon te worden vond zijn vrouw Genia wel een argument om ons te laten blijven. En telkens als Genia zei dat we weg moesten omdat we anders allemaal samen zouden verhongeren, was het Bolek die repliceerde: “Ach, ze zijn nu al zo lang bij ons, we zullen het nog wel een tijdje uithouden.” Natuurlijk hielden we er voortdurend rekening mee dat onze schuilplaats ontdekt kon worden, dat iemand ons kon verklikken. Het sprak eigenlijk vanzelf dat we in die tijd voortdurend met de gedachte speelden om zelfmoord te plegen. Zelf ben ik nooit sterk geweest in het uitvinden van verhalen. Maar in onze schuilplaats sloeg de verveling vaak toe. Je moet er rekening mee houden dat het in de winter om vier uur donker was. Er was geen elektrisch licht en petroleum voor de lamp was te duur. Radio was er niet. Zo kwam Genia op het idee om me te laten vertellen. Vele maanden heb ik ’s avonds en ’s nachts verhalen van Shakespeare, Molière en Theodor Fontane naverteld.’

Marcel Reich-Ranicki had zijn leven en dat van zijn vrouw gered door goede verhalen te vertellen. Literatuur moest spannend en degelijk zijn. Bij elk boek dat hij later las, heeft hij zich wellicht afgevraagd of het zijn leven had kunnen redden. Geen wonder dat Reich-Ranicki als criticus geen compromissen sloot. Een roman, een theaterstuk of een gedicht was goed of was slecht. De criticus kon zijn beroep niet meer uitoefenen alsof zijn leven ervan afhing. Omdat het ervan afgehangen had.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: