Een huis met toren in Westend

26 juni 2013

Afgelopen zondag fietste ik naar Westend, een heel eind, met niets anders in de hand dan een oude foto van het huis waarin Robert Walser zijn laatste kwartier had. De foto dateert van 1945. Het huis op de foto is gehavend, er liggen werktuigen en houten balken voor.

Ik had gelezen dat het huis er nog staat. Het kon niet moeilijk zijn het op het spoor te komen. Het is een groot huis en het heeft een torentje met een conisch dak, Hölderlin had er kunnen wonen.

In 1915 schreef Walser over zijn ultieme Berlijnse onderkomen: ‘Op een dag, toen ik op zoek was naar ergens een geschikte kamer, stapte ik in een buiten de grote stad, dicht tegen het stadstreintraject gelegen, zonderling, elegant, ouwelijk en naar me toescheen tamelijk verwaarloosd huis waarvan het uiterlijk me wegens zijn eigenaardigheid meteen buitengewoon beviel naar binnen.’

Het huis lag op de Spandauer Berg, een adres dat nu niet meer bestaat. Om zeker te spelen reed ik in Westend vanaf het Theodor Heussplein (ooit Adolf-Hitler-Platz) de lange Reichstrasse helemaal af, links van me het olympisch stadion en de Waldbühne, tot ik het punt bereikte waar de Spandauer Damm begon.

Daar reed ik weer oostwaarts met gescherpte blik, tot ik het S-Bahnstation Westend bereikte zonder het gezochte huis te hebben opgemerkt. Maar toen ik me op de brug van de stadsring omdraaide, rees het voor me op, precies zoals ik het me had voorgesteld: het torentje, de vier schoorstenen, de balkons. Op de tweede verdieping stond een man op het balkon die in mijn lens staarde.

Hier woonde dus de bescheiden man en grote schrijver Robert Walser die van zijn woning zei dat het er stil was als in een hol waarin je je verborgen kunt voelen, dat het behangpapier er in treurige weemoedige flarden van de muren hing, wat hij verrukkelijk vond, want ‘ik hou zeer van een zekere graad van verloedering en verwaarlozing’. En verder: ‘De flarden kunnen rustig blijven hangen; voor geen prijs laat ik toe dat ze weggenomen worden.’

Hier maant zijn hospita hem, mevrouw Wilke, ze laat hem geen rust (zou Franz Kafka, die Walser bewonderde, ook haar voor ogen hebben gehad toen hij ‘Een kleine vrouw’ schreef?): ‘U moet vroeger opstaan. Ik kan het niet dulden dat u zo lang blijft liggen. Ik lag namelijk dagenlang in bed. Ik lag als in zwaarmoedigheid; kende me, vond me niet meer. Alles dood, leeg en hopeloos voor het hart.’

Mevrouw Wilke sterft en in haar plaats komt mevrouw Scheer, de eigenares. Op de duur houdt Robert Walser voor mevrouw Scheer, die als miljonair vele huizen en kamers verhuurt, de boeken bij. Maar hij ziet geen mens. ‘Naar het gezelschap, d.w.z. daar waar de wereld die de wereld is zich frequenteert ging ik nooit. Ik had daar niets te zoeken omdat ik geen succes had. Mensen die onder mensen geen succes hebben, hebben bij mensen niets te zoeken.’

Aan de rand van Berlijn, tussen de flarden behangpapier, neemt Walser al afscheid van de wereld. In maart 1913 verlaat hij Berlijn. Hij keert terug naar het Zwitserse Biel en schrijft ‘Heimkehr im Schnee’, de sneeuw waarin hij in 1956 na drieëntwintig jaar hardnekkig zwijgen in het Waldau-sanatorium van Herisau tijdens een wandeling waarvan hij niet terugkeert sterft.

Daar stond ik dus voor dat huis. Jammer dat ik het zo snel gevonden had. Een grotere inspanning ware me beter bekomen op die mislukte zoektocht naar de laatste Berlijnse verblijfplaats van Robert Walser, maar was dat falen niet helemaal in zijn lijn, troostte ik me met het beeld en de kamer en het huis voor ogen van de man die in 1925 over zijn Berlijnse jaren schreef: ‘Ons is een jonge man bekend die zijn koopmanscarrière ten gunste van een poëtische loopbaan prijsgaf. De hemel en de menselijke samenleving straften hem daar hard voor. Hij werd schrijver en bleef als zulke bodemloos zonder succes. Toch las men hem, en hij wist het.’

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: