De nazi-kelders van Berlijn: General-Pape-Strasse

15 maart 2013

In Berlijn word je overal geconfronteerd met de nazi-machtsovername van tachtig jaar geleden. In mijn eigen trage tempo werk ik de begeleidende tentoonstellingen af die onder de rubricering Zerstörte Vielfalt (Vernielde diversiteit) lopen in het centrum én de periferie. Geen wonder dat ik thuis Sebastian Haffners Het verhaal van een Duitser weer ter hand nam en er het jaar 1933 op nasloeg.

In zijn lucide autobiografie beschrijft Haffner ook een incident dat later als de Köpenicker Blutwoche bekend raakte. Haffner heeft het over een sociaaldemocratische vakbondsman uit Köpenick die zich samen met zijn zoons verzette tegen een SA-patrouille die in de zomer van 1933 ’s nachts een inval deed in zijn huis om hem op te pakken. De vakbondsman schoot uit noodweer twee SA’ers dood. Daarop, aldus Haffner, trad een sterkere SA-troep aan die de vakbondsman en zijn beide zoons overmeesterde en ze in de schuur opknoopte. Uit wraak zouden SA-troepen de volgende dag ingevallen zijn bij alle inwoners van Köpenick die als sociaaldemocraten bekendstonden en ze ter plekke doodgeslagen hebben. Haffner: ‘Het aantal doden is nooit bekend geworden.’

De tentoonstelling in het Historisch Museum geeft meer opheldering. De vakbondsman was de 23-jarige sociaaldemocraat Anton Schmauss. Hij schoot op 21 juni 1933 inderdaad twee SA’ers dood toen hij bij het ontwaken constateerde dat een aantal SA’ers, die zijn woning zonder machtiging waren binnengevallen, zijn moeder mishandelden. Hij slaagde erin te ontkomen en gaf zich aan bij de politie, in de hoop dat die hem tegen de SA zou beschermen. De politie bracht Anton Schmauss over naar haar Berlijnse hoofdkantoor op de Alexanderplatz, waar hij door de SA werd opgewacht en een kogel in de rug kreeg. In januari 1934 zou Schmauss aan die verwonding en aan andere mishandelingen overlijden. Zijn vader Johannes werd al op 22 juni 1933, één dag na de overval, in zijn schuur door de SA opgeknoopt. Over het lot van de zonen is me niets bekend.

In elk geval waren de zomerse razzia’s van de SA in Köpenick niet meteen aan het Schmauss-incident gekoppeld, want de illegale jacht op sociaaldemocraten en communisten, die zo goed als vogelvrij waren, was toen al bezig. Om geen argwaan te wekken en onverhoeds te kunnen toeslaan verplaatsten de zogenaamde rolcommando’s van de SA zich incognito in wasserij-auto’s. Waarschijnlijk werden 200 mensen in Köpenick mishandeld. Hoeveel politieke tegenstanders er toen door de SA werden vermoord, is onbekend, hun aantal ligt wellicht tussen 24 en 71. Een aantal lijken, in zakken gestopt en in de Dahme gegooid, spoelden later aan wal. Een aantal werd in de naburige bossen afgeknald. Aan het gezin Schmauss wordt nu herinnerd op een bord dat is aangebracht op de huisgevel Schmauss-Strasse nummer 2.

Waarom heeft Sebastian Haffner zijn herinneringen niet uitgegeven toen hij nog leefde? Allicht werd hij geremd omdat er nog te veel feiten – zie de Schmauss-affaire – geverifieerd moesten worden, iets waartoe hijzelf tijdens zijn leven nooit gekomen is. Het manuscript werd pas na Haffners dood uitgegeven, helaas zonder verhelderende voetnoten.

Hoe dan ook is Het verhaal van een Duitser, dat in 1939 werd opgeschreven maar nooit is voltooid, een uitzonderlijk werk, niet alleen omdat het een indrukwekkend sfeerbeeld geeft van het Duitsland in de eerste greep van de nazi’s, maar ook omdat erin wordt aangetoond op welke lichtzinnige manier de traditionele partijen Hitler hebben laten betijen, hem aan de macht hebben geholpen en hem in het handhaven, het uitbreiden en misbruiken van die macht hebben bijgestaan.

Haffners manuscript werd in 1999 ontdekt, toen zijn zoon de woning van zijn vader in Dahlem opruimde. Sebastian Haffner was in het zelfde jaar, 92 jaar oud, overleden.

Gisteren was ik in de General Papestrasse, direct aan de achterkant van Bahnhof Südkreuz in Schöneberg, waar zich in een oud kazernegebouw nog een aantal kelders bevinden die de nazi’s in 1933 gebruikten om hun eerste slachtoffers op te sluiten, te folteren en te doden, onmiddellijk na de brand van de Reichstag (27 februari) en de verkiezingen van 5 maart 1933. Het heeft lang geduurd voor deze authentieke ruimten werden ontdekt, ook omdat de belangstelling voor het thema pas in de jaren zeventig terugkeerde, vooral dankzij een aantal burgerinitiatieven. De locaties zijn uniek, want van de nazi-folterkelders (bv. ook de beruchte bruine kelder in de Hedemannstrasse 31, een zijstraat van de Wilhemstrasse in de buurt van Hallesches Tor) uit de eerste jaren van de dictatuur zijn er geen sporen meer in Berlijn. Op de plechtigheid gisteren getuigden ook gezinsleden, meestal kleinkinderen, van Duitsers die in de Papestrasse waren gefolterd en gedood.

Een uitstekend literair beeld van de nazi-willekeur begin 1933 tref je aan in De Veensoldaten (Van Gennep), een pas in het Nederlands vertaalde roman van Wolfgang Langhoff die in 1935 in de Zwitserse Spiegel-uitgeverij verscheen. De Veensoldaten is wellicht de eerste Duitse roman die getuigt van de vroege nazi-brutaliteiten in de kampen. Langhoff, een acteur uit Düsseldorf die zich voor de KP engageerde, slaagde erin om na dertien maand uit het KZ naar Zwitserland te ontsnappen.

http://www.gedenkort-papestrasse.de/

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: