De ruïnebouwers van Berlijn

3 maart 2013

Mijn hypothese dat de Berlijnse autoriteiten verzot zijn op de vernietiging van de stedelijke infrastructuur neemt almaar vastere vormen aan. Het heeft lang geduurd voor ik erachter kwam, want de destructiedrift, die het levenselixir van de Berlijnse overheden blijkt te zijn, heeft zich deskundig achter allerlei opbouwprojecten gecamoufleerd. Ik onthul een goed bewaard geheim.

Maar dat in Berlijn de ruïnebouwers niet kapot te krijgen zijn, daarvan is het debacle van de nieuwe internationale luchthaven de beste illustratie: de definitief onvoltooide luchthaven is een dadaïstisch project dat na de zoveelste mislukte opening begeleid wordt door een cataloog van 20.000 bladzijden waarin even veel feilen zijn geregistreerd. Omdat de ruïne een kunstwerk is, is het een raadsel in welk stadium het voltooid zal zijn, maar dat speelt eigenlijk geen rol: zolang er maar geen vliegtuigen landen is het eigenlijk wel af.

Het heeft geen zin om de Berlijnse vernietigingsdrift te inventariseren: een wandeling van het Brandburger Tor naar Alexanderplatz spreekt boekdelen. De paradestraat Unter den Linden is één grote bouwput. De werkzaamheden aan het even nieuwe als overbodige (want parallelle) metrotraject tussen Alex en Tiergarten zouden nog zes jaar duren, maar niemand gelooft dat het mollenwerk tegen 2019 voltooid zal zijn. Het onvermogen om op hetzelfde traject de Staatsopera volgens het tijdschema te restaureren, geeft aan die veronderstelling alleen maar voedsel. Nog oostelijker ontstaat het reactionairste architecturale project van de 21ste eeuw: de wederopbouw van het Hohenzollernpaleis. Om dat spookkasteel te kunnen bouwen hebben de slopershamers het functionele Paleis van de Republiek tegen de vlakte gebeukt, een late wraakoefening tegen de dode Walter Ulbricht, die putje winter 1950 het slot van Wilhelm II in de lucht had geblazen.

Alleen al de drie genoemde zogenaamde prestigeprojecten zuigen miljarden op, het geld dat ontbreekt om de kasteeltjes in de periferie te restaureren of zelfs maar te onderhouden. Straks zijn de grote parken alleen nog tegen een fiks entreegeld toegankelijk, want er zijn geen middelen om de tuiniers te vergoeden. Geld om de gaten in het wegdek te dichten is er ook al niet. Het gevolg van dat beleid is dat de stad in haar geheel op een ruïne begint te lijken, de enige attractie waarvoor niet betaald hoeft te worden. Zolang je die van de ander maar met rust laat, mag iedereen zijn eigen nek breken.

Ik denk dat het fenomeen te wijten is aan de wet van de traagheid. De overheden treden nog altijd in het spoor van Albert Speer, in het geniep natuurlijk. Ze zijn verliefd op het vernietigen, dat ook na het einde van de Tweede Wereldoorlog niet opgehouden heeft, ze zijn bang dat Berlijn tussen twee oorlogen door, de voorbije en de komende, ook maar eventjes de schijn zou hebben intact te zijn. Dat willen ze niet op hun geweten. Ze krijgen trouwens de steun van de intellectuelen. In Der Tagesspiegel van vandaag looft de schrijver David Wagner de molshopen in Berlijn. De werven in het hart van de stad blokkeren weliswaar het verkeer, maar ze brengen de mensen weer samen, vroegere schoolkameraden, vluchtige kennissen en kindertuinvrienden, aldus de enthousiaste schrijver, die nog voor meer werven pleit zodat de troglodieten uit de metrotunnels verdreven worden en weer het zonlicht zien. Ik heb zin om eraan toe te voegen: net zoals in 1945, toen je vanaf de straatkant in elke slaapkamer kon kijken, toen de Trümmerfrauen gezellig fluitend de bakstenen sorteerden uit het puin van Berlijn, dat in de woorden van Brecht een ets van Churchill naar een idee van Hitler was geworden.

Ik verdenk de Berlijnse overheid ervan dat ze een oude slogan van de Rote Armee Fraktion realiseert, althans een variant: maak kapotter wat al kapot is, wij zorgen er wel voor dat er niets heel blijft. Daarom verbaast het me niet dat de Berlijnse bestuurders toelaten dat de East Side Gallery vernietigd wordt, onder andere met het argument dat dit artistieke fragment van de Muur toch al toegetakeld was. De slag van Berlijn – Berlijn tegen Berlijn – is volop aan de gang, helemaal volgens het devies van Ruinen schaffen ohne Waffen. Misschien blijven de toeristen binnenkort toch wel weg. Misschien is dat wel de ultieme opzet van de Berlijnse destructiedrift: laat ons met rust. De tegenstanders van de gentrification in Kreuzberg lachen in hun sik, als ze er nog een hebben.

En ja, de toverformule heeft succes. Lufthansa schrapt in de zomer een pak vluchten naar Berlijn. Voor de oude luchthaven van Tegel dreigt het infarct. Binnenkort is Berlijn, de heroïsche stad van de heldhaftige luchtbrug, alleen nog via het land of het water te bereiken. Misschien is het geen kwaad idee om eindelijk de hele stad te ommuren, een project dat na het halve werk van Ulbricht veel kaalslag belooft. Iemand zal dan toch het licht moeten uitdoen, als dat lukt. De voortekenen zijn niet gunstig: de nieuwe terminalruïne van de luchthaven Berlijn-Brandenburg straalt dag en nacht onder het licht, van binnen en van buiten. Niemand weet hoe het uitgedaan moet worden, zelfs de laatste niet.

Advertenties

Eén reactie to “De ruïnebouwers van Berlijn”

  1. jan & nicky said

    wij laten onze gereedschapskist achter bij vertrek. Hamer en beitel inclusief.

    Like

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: