Celan

28 januari 2013

Gruppe 47. Over die groep van naoorlogse Duitse auteurs (en critici) heb ik ooit geschreven dat er een antisemitisch reukje aan zat, althans toch aan zijn aanvoerder Hans Werner Richter. Die mening moet ik herzien na het lezen van de dagboeken (Mittendrin. Die Tagebücher 1966-1972) van Richter, de rector spiritus die de groep vanuit het vorstelijke pand in de Berlijnse Erdener Strasse 8 (de vroegere woonst van uitgever Samuel Fischer) bestuurde en die in zijn dagboek op twintig jaar terugblikt. Mijn aantijging is waarschijnlijk niet terecht, al is Richter werkelijk niet bepaald zachtzinnig of fijngevoelig met de kwetsbare Celan omgegaan, ook niet na diens zelfmoord.

Als Celan op 1 mei 1970 dood uit de Seine wordt gehaald, lijkt dat Richter niet zeer te beroeren, want het eerste wat hem op 7 mei 1970 van het hart moet is dat in de necrologieën niet vermeld wordt dat Celan zijn roem aan de Gruppe 47 te danken heeft. In 1952 had Richter de Joodse dichter uitgenodigd om uit zijn dichtwerk voor te lezen.

In zijn dagboek vertelt Richter zelf hoe de bijeenkomst van de Gruppe in 1952 in Niendorf verliep. Kort daarvoor was Richter in Wenen geweest en had daar een voordracht over de Gruppe 47 gehouden. Daar leerde hij ook de Oostenrijkse dichteres Ingeborg Bachmann kennen, die (samen met Milo Dor) Richter het advies gaf om de in Parijs verblijvende dichter Paul Celan eens uit te nodigen, want niemand anders dan Richter zelf, die een autocratisch invitatiebeleid cultiveerde, had daartoe het recht en de macht.

Richter schreef een postkaart naar Parijs en inviteerde Celan voor een samenkomst van de Gruppe 47 in Niendorf, een plaatsje ten noorden van Hamburg. Celan las er voor de verzamelde schrijvers de gedichten ‘Todesfuge’, ‘In Ägypten’, ‘Zähle die Mandeln’ en ‘Ein Lied in der Wüste’ voor, volgens Richter zelf met succes, volgens anderen juist niet. Richter was toen nog niet van de relatie tussen Bachmann en Celan op de hoogte.

Maar dan Richter in zijn dagboeknotitie van 7 mei 1970: ‘Na de lezing van Celan had ik tijdens het middagmaal heel terloops en zonder enig opzet gezegd dat de stem van Celan me aan de stem van Joseph Goebbels herinnerde. Aangezien beide ouders van Celan door de SS vermoord waren, kwam het tot een dramatisch dispuut. Paul Celan verlangde rekenschap en probeerde me in de positie van een voormalige nationaalsocialist te duwen. Ilse Aichinger en Ingeborg Bachmann huilden en smeekten me onder ware stromen van tranen altijd opnieuw om me te excuseren, wat ik ten slotte deed. Desondanks is Paul Celan me dat altijd kwalijk blijven nemen.’

Wat je Richter toch maar moeilijk kunt vergeven: vijftien jaar na de feiten heeft hij, getuige zijn dagboeknotitie, de tactloosheid van zijn Goebbels-opmerking nog altijd niet ingezien, een houding die volgens Dominik Geppert, de uitgever van de dagboeken, een symptoom is van Richters ‘emotionele doofheid tegenover het leed van de Holocaust-overlevenden, dat anders van aard was dan de angst en de nood die de voormalige [Duitse, PdM] soldaten en krijgsgevangenen zich in de “kaalslagliteratuur” van het hart hadden proberen te schrijven’. Dat is het minste en onschuldigste wat je kunt zeggen over de gemoedsgesteltenis van de Duitse oorlogsveteraan Richter, die zijn afschuw voor Hitler en zijn regime inderdaad nooit verborgen heeft.

* * *

Er zijn nogal wat toespelingen op het element water in de brieven van de Oostenrijkse dichteres Ingeborg Bachmann (1926-1973) aan Paul Celan (1920-1970). In juni 1949 schrijft Bachmann vanuit Wenen naar Parijs: ‘Breng me naar de Seine, we zullen net zo lang in het water kijken tot we kleine vissen zijn geworden en elkaar herkennen.’ Het is precies in de Seine dat Paul Celan, de joodse dichter uit Czernowitz (Boekovina), in de lente van 1970 een einde aan zijn leven maakt.

Celans ouders stierven na hun deportatie (1942) in een werkkamp in Transnistrië: zijn moeder werd door een Duitser doodgeschoten, zijn vader – daar heeft Richter het verkeerd voor – werd door tyfus geveld. In zijn gedichten heeft Paul Celan de slachtoffers van de Holocaust een uniek gezicht gegeven. Zijn gedicht ‘Todesfuge’ dat in 1952 in de bundel Mohn und Gedächtnis werd opgenomen, heeft zich in het naoorlogse collectieve geheugen genesteld. Celans poëzie behoort tot het soort werk waardoor we hoe dan ook beïnvloed zijn, zelfs als we het niet kennen.

In Ingeborg Bachmann ontmoette Celan een zielsverwante, zij het met een totaal andere achtergrond. ‘Nooit hadden ze elkaar kunnen vinden als Bachmann zich niet al eerder uit de door nationaalsocialisme en oorlog bepaalde vader-wereld van haar herkomst was gaan bevrijden en zich al op jeugdige leeftijd uit de volkse gemeenschap van de nazitijd had losgemaakt,’ schrijven Hans Höller en Andrea Stoll in hun nawoord bij de Nederlandse vertaling van de correspondentie (Een dramatische liefde. Brieven) tussen Bachmann en Celan. Ze ontmoetten elkaar in het naoorlogse Wenen en hadden een gecompliceerde liefdesverhouding die ze via hun briefwisseling (1949-1967) probeerden in leven te houden.

Ook de correspondentie verliep moeizaam. Het meeste werd niet uitgesproken. Heel wat brieven werden geschreven, maar niet verstuurd. Een aantal niet verstuurde brieven werden soms in de correspondentie van latere datum ingevoegd. Het verlangen om te spreken rivaliseert met de drang om te zwijgen. ‘Alleen zeg ik soms bij mezelf dat mijn zwijgen misschien begrijpelijker is dan dat van jou, omdat het donker dat mij ertoe dwingt ouder is,’ aldus Celan in een brief van augustus 1949.

De dood van Ingeborg Bachmann was niet minder dramatisch dan die van Celan. Bachmann stierf in 1973 op haar zevenenveertigste aan de gevolgen van de wonden die ze bij een brand in haar appartement in Rome had opgelopen.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: