Kundera over de roman

20 januari 2013

Het is een paradox, maar de essays die Milan Kundera in de onvolprezen bundel Over de romankunst (Ambo) verzameld heeft, zijn boeiender dan zijn romans. Waarschijnlijk komt dat omdat zijn opstellen de kans grijpen om dieper te graven dan zijn verhalen. Zijn essays, die briljante verkenningen in de literaire tijd en ruimte zijn, formuleren met grote precisie de eisen die hij stelt aan de roman. Een roman is pas geslaagd als hij ons – aldus Kundera – iets kan vertellen wat we over onszelf nog niet wisten. De manier waarop Kundera dat onderwerp onderzoekt en erover nadenkt, is onorthodox en fascinerend.

Kundera spreekt over de roman als over een mens wiens lot hij zich ter harte neemt. In zijn beschouwingen is hij afkerig van elke vorm van moraliseren. Hij is geïrriteerd en zelfs boos als hij constateert hoe geschied- en literatuurwetenschappers Rabelais proberen te ontdoen van zijn ‘carnavaleske’ aspecten. Dat is een misdadige opzet, aldus Kundera, die Rabelais juist waardeert als ‘de pionier, de stichter, het genie van het niet-ernstige in de romankunst’.

Rabelais’ Gargantua-Pantagruel is voor Kundera een ‘roman avant la lettre’. Daarom verbaast het niet dat Rabelais’ roman in Kundera’s verhaal inderdaad de trekken aanneemt van een vrije, onvolgroeide mens van wie niemand weet of en hoe hij zich zal ontwikkelen: ‘Dankzij die aanvankelijke vrijheid van de roman bevat het werk van Rabelais eindeloos veel esthetische mogelijkheden, waarvan er in de latere ontwikkeling van de roman een aantal zijn verwezenlijkt en andere nooit.’ De geschiedenis van de roman valt dus samen met zijn strijd voor de bevrijding uit het keurslijf van het genre, dat zich eenzijdig ontwikkeld heeft.

In bijna al zijn essays reflecteert Milan Kundera over het thema dat hem zo lief is: de mogelijkheden en de betekenis van de roman. De eerste romanciers zagen zichzelf natuurlijk niet als de grondleggers van de roman, maar omdat Rabelais en Cervantes zoveel opvolgers kregen, moesten we op de duur de geschiedenis van de roman ook wel gaan interpreteren als een aan tijdperken gebonden geschiedenis van esthetische waarden. Kundera: ‘Als er geen esthetische waarde bestaat, is de kunstgeschiedenis niet meer dan een enorme opslagplaats van werken, waarvan de chronologische volgorde geen enkele betekenis heeft. En omgekeerd: alleen binnen de context van de historische ontwikkeling van een kunstvorm kan de esthetische waarde worden waargenomen.’ Ook dat is een paradox: een kunstwerk is tijdeloos omdat het aan een tijdperk is geklonken en omdat het een voetafdruk in het grint van de geschiedenis is.

Dat inzicht wordt door Kundera graag concreet en provocerend aan de werkelijkheid getoetst, bijvoorbeeld als hij over Joyce’ Ulysses zegt: ‘Buiten de context van de romangeschiedenis zou Ulysses niet meer zijn dan een gril, de onbegrijpelijke buitensporigheid van een gek.’ Ulysses ontleent zijn betekenis en verstaanbaarheid ook aan zijn context, zijn positie in de canon, zijn onvervangbare plaats in de wereldliteratuur.

Over die historische context schrijft Kundera behartigenswaardige zaken. Hij beklaagt het onvermogen van Europa om zijn literatuur als een historische eenheid te denken. Hij beklemtoont dat hij niet moe wordt te herhalen dat dit gebrek een onherstelbaar geestelijk echec van Europa onthult. Waarom is dat zo belangrijk? Omdat kleine landen hun schrijvers vaak naar beneden halen door hun werk geen bestaansrecht te gunnen in de omringende wereld. Die schrijvers worden als het ware geterroriseerd door de ‘kleine context’ waarin ze met opzet worden opgesloten: ‘De kleine natie heeft haar schrijver de overtuiging ingestampt dat hij alleen bij haar hoort. Over de grenzen van het vaderland kijken en op het supranationale grondgebied van de kunst aansluiting zoeken bij vakbroeders wordt pretentieus gevonden, een blijk van minachting jegens je landgenoten.’

Dit betekent niet dat het literaire provincialisme in de grote naties onbestaande is. Het is ook daar present, al is het anders gekleurd en gemotiveerd. Zo hebben de Fransen een probleem met het opstellen van een aanvaardbare literair-esthetische canon, meent Kundera. Gevraagd naar de honderd schrijvers die Frankrijk op de literaire kaart hebben gezet, blijken de Fransen De Gaulle meer te waarderen dan Rabelais, terwijl Stendhals Chartreuse de Parme niet eens op die lijst voorkomt. Kundera trekt daaruit de conclusie dat de esthetische waarde van de Franse literatuur beter door een buitenstaander dan door een Fransman kan worden beoordeeld: ‘Opnieuw wordt de regel bevestigd: die waarde is niet goed zichtbaar uit het oogpunt van de kleine context, zelfs al is het de trotse kleine context van een grote natie.’ Het is een treurige zaak dat we onze literatuurgeschiedenissen vanuit een nationale of vanuit een monoculturele context blijven schrijven, want logischerwijze is dat voor Kundera een ‘verraad’ aan Goethes constatering dat nationale literatuur geen betekenis meer heeft in het tijdperk waarin de wereldliteratuur is aangebroken.

Uiteraard onderbouwt Kundera, die een eminente kenner is, zijn pleidooi met argumenten: de Rus Fjodor Dostojevski werd het best begrepen door de Fransman André Gide, de Noor Henrik Ibsen door de Ier George Bernard Shaw en de Ier James Joyce door de Oostenrijker Hermann Broch. Kundera doet zijn best om te bewijzen dat deze kosmopolitische stofwisseling eerder regel dan uitzondering is, en hij laat doorschemeren dat hijzelf als migrant de dingen scherper ziet dan diegenen die er altijd met hun neus bij hebben gestaan: ‘Een geografische afstand plaatst de waarnemer buiten de lokale context en stelt hem in staat de grote context van de wereldliteratuur te overzien, die als enige de esthetische waarde van een roman zichtbaar kan maken, dat wil zeggen de tot dan toe onbekende aspecten van het bestaan die de roman in kwestie heeft weten te verhelderen; de vormvernieuwing die hij tot stand heeft weten te brengen.’

Om die onbekende levensaspecten die de roman vormgevend aan het licht brengt, is het de echte romancier te doen. Dat Kundera een van zijn essaybundels de titel Het doek meegeeft is geen toeval. Het gaat om het doek dat het leven verduistert en waarin de romanschrijver een gat knipt. Kundera is het eens met Hermann Broch, volgens wie een roman die geen enkel onbekend fragment van het bestaan ontdekt en onthult immoreel is.

Een geslaagde roman moet immers doordringen tot de essentie, dat wil zeggen tot de ziel van al wat hem omringt. Milan Kundera had ook Franz Kafka kunnen citeren. Kafka meende dat we boeken nodig hebben die ons treffen als een extreem ongeluk, als de dood van iemand die we meer liefhebben dan onszelf: ‘Ik geloof dat we alleen zulke boeken nog zouden mogen lezen die ons bijten en steken. Als het boek dat we lezen ons niet met een vuistslag op de schedel wekt, waartoe lezen we dan het boek? Een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee in ons.’

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: