Romanisches Café en Grootheidswaan

16 januari 2013

Berlijn heeft weer een Romanisches Café. Het is ondergebracht in de nieuwe hoogbouw Zoofenster en is een onderdeel van het chique, pas geopende Waldorf-Astoria-hotel. De blokkendoos van het Zoofenster verheft zich hoog boven Bahnhof Zoo. Met het legendarische café uit de jaren twintig heeft de nieuwe gelegenheid alleen de naam gemeen. Kunstenaars tref je er niet aan. Die zitten vandaag de dag in Grosz (Kurfürstendamm) en Paris-Bar (Kantstrasse) in het westen of in Bar Drei (Weydingerstrasse) of Mogg und Melzer en The Barn, beide in de Auguststrasse, in het centrum van oostelijk Berlijn.

Voor ze in het Romanische Café onder de toren van de Kaiser-Wilhelm-Gedächtniskirche in het hart van het westelijke Berlijn samentroepten, zochten de hoofdstedelijke kunstenaars en schrijvers begin twintigste eeuw elkaar op in het Café des Westens op de Kurfürstendamm. In de volksmond werd dat mekka van de bohemiens om voor de hand liggende redenen Café Grössenwahn (Café Grootheidswaan) genoemd. Toen de eigenaar van het Café des Westens in 1915 naar een naburig pand verhuisde, waren de vaste klanten zo verbolgen over deze inbreuk op hun gewoonterecht dat ze massaal overliepen naar het Romanische Café op de Auguste-Viktoria Platz, waar zich nu op de Breitscheidplatz het in de jaren zestig opgetrokken Europacenter bevindt.

Het Romanische Café heette zo omdat het in neoromaanse stijl was opgetrokken. Karakteristiek waren de hoekige piramidetorentjes, de ronde erker in het midden van de gevel en het terras. Als je door de draaideur binnenwaaide, had je links een zaaltje met ongeveer twintig tafeltjes. Dat was het terrein van de ‘zwemmers’, de gearriveerde kunstenaars. In het ruime gedeelte rechts zaten de ‘niet-zwemmers’, de avonturiers die het nog moesten maken. En dan was er nog ‘de balustrade’, het terrein van de schakers, waar grootmeester Emmanuel Lasker zich bij voorkeur ophield. De dichteres Else Lasker-Schüler was een tijdlang getrouwd met diens broer Jonathan Berthold. Ze was een trouwe klant van het Romanische Café en maakte er kennis met de morgue-dichter Gottfried Benn, die ze Giselheer noemde en met wie ze als Prinz Jussuf een stormachtige liaison aanging.

Het Romanische Café kende zijn hoogdagen in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het was de pleisterplaats van beroemdheden als Ernst Toller, Hanns Eisler, Bertolt Brecht, Joseph Roth, Mascha Kaléko, Vladimir Nabokov, Erich Kästner, Egon Erwin Kisch, Franz Werfel, Billy Wilder, Egon Erwin Kisch, Georg Gross en vele anderen.

Behalve in het Romanische Café speelde het intellectuele leven van Berlijn zich af in café Schwannecke in de naburige Rankestrasse, in café Jaedicke in de Kochstrasse tegenover het Ullstein-Haus, bij Mutter Maenz in de Augsburger Strasse en in het volksere, door Bertolt Brecht graag bezochte restaurant Schlichter in de Martin-Luther-Strasse.

Het Romanisché Cafe met zijn ‘infernaal geharrewar van karakterkoppen’, waar de eerste indruk volgens Erich Kästner bestond uit ‘haren, manen, lokken die betekenisvol in de gezichten vallen’ werd weliswaar door de geallieerde bommen in 1943 zwaar gehavend, maar het had gered kunnen worden. Niemand zette er zich voor in. De slopershamer beukte het tegen de vlakte, wat het lot was van zo veel andere interessante panden waarmee in het naoorlogse Berlijn tabula rasa werd gemaakt.

Met de glans van het nieuwe Romanische Café in het Astoria-Waldorf-hotel heeft het oude kunstenaarscafé niets te maken. De sfeer van het oude café was trouwens al vernietigd in 1929, toen de nazi’s – vier jaar voor de machtsovername – de buurt en de kunstenaars begonnen te terroriseren.

Het nieuwe Romanische Café is een plek voor gasten die wellicht nooit van het oude hebben gehoord. Het interieur heeft de gezelligheid van een ontbijtruimte en de bezoekers zitten er onder het harde neonlicht over hun bord gebogen alsof ze hun taart niet moeten eten, maar opereren, zoals de Frankfurter Allgemeine Zeitung onlangs denigrerend schreef. Het elementairste deel van een café ontbreekt: een deur. In de schrale bibliotheek staat een boek over keukendesign, een ander over golf.

De atmosfeer van een epoque wordt het treffendst door zijn restaurants opgeroepen, meent uitgever en essayist Wolf Jobst Siedler in zijn herinneringsboek Wir sind noch einmal davongekommen (2004), een titel die Siedler ontleende aan een theaterstuk van Thornton Wilder dat de sensatie was van de Berlijnse theaterzomer 1946. In Siedlers memoires worden de restaurants de ‘podia van het tijdperk’ genoemd. Siedler herinnert eraan dat Lutter & Wegner op de Gendarmenmarkt, dat na de Wende weer geopend werd, het eerste restaurant was waar de vertegenwoordigers van de civiele samenleving elkaar ontmoetten nadat de feodale maatschappij door de burgerlijke cultuur was afgelost. E. T. A. Hoffmann, de woordvoerder van de Berlijnse romantiek, woonde op de tweede verdieping van het eethuis, dat werd gefrequenteerd door Dietrich Grabbe, Heinrich Heine, Heinrich von Kleist, Karl Friedrich Schinkel, Joseph von Eichendorff en de kring rond de joodse Rahel Varnhagen, die in de buurt haar eigen literaire salon bestuurde en wier bewogen intellectuele leven door Hannah Arendt is beschreven.

De meeste restaurants die het Berlijn van het interbellum karakteriseerden waren na de oorlog verdwenen. Een uitzondering was Schlichter, waar uitgever Siedler halverwege de jaren zestig tafelde met Hitlers architect Albert Speer, die er het contract ondertekende voor de lucratieve publicatie van zijn leugenachtige herinneringen die hij tijdens zijn twintigjarige gevangenschap in Spandau neergeschreven had. Veertig jaar eerder had Bertolt Brecht in hetzelfde lokaal zijn Dreigroschenoper aangeboden aan Ernst-Josef Aufricht, die op zoek was naar een stuk waarmee hij het pas gekochte Theater am Schiffbauerdamm kon openen. Die sfeer bij Schlichter in de jaren twintig heeft Elias Canetti opgeroepen in De fakkel in het oor. Canetti beschrijft in zijn herinneringen hoe ontsteld hij was toen hij ontdekte dat de door hem bewonderde dichter van de Hauspostille ook de auteur was van een gedicht waarin de autogek Brecht de Steyr-auto’s zo zeer had bewierookt dat de dankbare firma hem een gratis exemplaar geschonken had.

In de vijftiger en zestiger jaren was het wijnlokaal Volle Pulle am Steinplatz het trefpunt van de kunstenaars en schrijvers in West-Berlijn. In dat lokaal, waar het benepen, onoverzichtelijk, vol en heet was, behoorden Heinrich Böll, Arthur Koestler, Erich Maria Remarque, Gottfried Benn, Ignazio Silone, Thornton Wilder en Ilja Ehrenburg tot de gasten. In de Volle Pulle overtuigde in 1949 de politicus en hotelier Heinz Zellermayer de Amerikaanse stadscommandant Frank L. Howley ervan om de avondklok in de westelijke sectoren van Berlijn af te schaffen, al was het maar omdat die in de sovjetsector een uur later inging. In de Volle Pulle ontvouwde Peter Weiss zijn plan voor een theaterstuk dat in 1963 onder de titel Marat/Sade mondiaal furore maakte, zeker nadat het door Peter Brook en diens Royal Shakespeare Company in 1964 in regie genomen was. Het legendarische wijnhuis Volle Pulle is inmiddels in de rook van de geschiedenis opgegaan, net zoals de beroemde en beruchte restaurants Aben, Horcher, Börsenstuben en Rollenhagen, allemaal in West-Berlijn.

Een schrale troost: achter de onopvallende gevel van een Mc Donald’s op de Kurfürstendamm 15 verbergt zich het oude interieur (lambrisering, tegelkachel, boekenrekken achter glas) waar Joseph Roth zijn Radetzkymars heeft geschreven. Een van de beroemdste restaurants uit de keizertijd, het Borchardt in de Französische Strasse, heeft als lokaal alle regimes overleefd, zelfs het socialistische in de gedaante van een levensmiddelenzaak die in DDR-tijden Handels-Organisation of HO heette. Nu schuiven de prominenten of zij die zich daarvoor houden er graag weer aan tafel aan.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: