Kleine Berlijnse Apocalyps

9 januari 2013

De coupé van de S-Bahn zit halfvol geneesheren. Ze hebben allemaal een stethoscoop in hun oren. Ze zouden hun eigen patiënt kunnen zijn. Als ze niet onderweg zouden zijn, zouden ze net zo goed in hun eigen wachtkamer kunnen zitten.

Het zijn uitzonderingen die niet lekken. Het gebeurt dat ik tijdens zo’n rit niet eens ga zitten, maar de alleenstaande speel, een discipline waarin ik toch al een redelijke bekwaamheid heb verworven. Ik ijsbeer in de coupé en vraag me af of ik niet beter bovengronds te voet had kunnen gaan, een wandeling met stemmige, door regenbuien gedempte verkeersrefreinen op de achtergrond.

Er is weliswaar geen plaatsgebrek in de coupé, maar er zijn momenten waarop ik niet wil delen in de brokken. Ik ga voor mijn plezier ook niet onder een zwerm volgevreten duiven staan of in het straalbereik van een pissoirist.

Nu is het niet zo dat zo’n coupé bezet wordt door alleen maar lekkers en niet-lekkers. Behalve de gedwongen luisteraars heb je immers ook de vrije sprekers, ook al wordt het woord niet tot jou gericht. Ik heb het niet over de mensen die in een dialoog verwikkeld zijn. Als je zulke mensen aan het werk wilt zien, moet je in de bioscoop gaan luisteren naar Georges en Anne uit Amour van Haneke.

Nee, ik bedoel de mensen die in almaar onooglijker apparaten zitten te kletsen, soms terwijl ze eten. Ze stappen kletsend in, ze stappend kletsend uit. Ze kletsen tot ze klets zijn, maar dat weten ze nog niet. Ze eten zonder honger omdat ze reserve nodig hebben tijdens het verpoppen.

Getranssubstantieerd kan ik ze beter lijden. Ik maak van mezelf een illusionist. Moeilijk is dat niet. De verdwijntruc hoef ik niet toe te passen, want onzichtbaar ben ik al, daar heb ik geen enkele verdienste aan. Soms zou ik mezelf willen aanspreken om te controleren of er een antwoord komt. Mijn overkant kijkt immers zo vlijmscherp door me heen dat het zelfs geen pijn meer doet.

Een derde categorie staart in kleine apparaatjes, gelijkend op spiegeltjes die de mooiste van het land bevatten. Had ik maar een giftige apple in mijn zak. Vermoedelijk is Wlan in de buurt, anders zouden de reizigers niet zo driftig in hun aaipotten zitten roeren.

En ik? Als ik mijn krant opensla, voel ik me een crimineel die op het punt staat zijn medepassagiers levend achter een papieren muur in te metselen. Ze staren naar mij alsof ik naakt en harig uit een donker bos ben geslopen om een harde versie van de Apocalyps uit mijn peniskoker te toveren.

Het heeft niet gebaat dat ik het ritselen met een droge hoest heb proberen te overstemmen. Ik plooi mijn krant weer dicht en begin tot grote tevredenheid van de hele poppenkast draadloos in mezelf te mompelen. Na de communicatie is nu ook de rust teruggekeerd. Waar rijden we eigenlijk naartoe? Is dit wel openbaar vervoer?

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: