Kaddisj van een goj

14 december 2012

Vanmiddag lang vertoefd, gelezen, geschreven en gekeken, gezeten aan een tafel op de binnenplaats van het Joods Museum in de Lindenstrasse. Vanuit de vier hoeken van de heldere ruimte rijzen pijlers uit de grond die abstraheringen van boomstammen zijn. Even abstract zijn de vier uitgespaarde kruinen, die stuk voor stuk een eigen raster vormen. Die takken grijpen onder het dak in elkaar, ze vormen daar een bladloos takkenwerk, een pergola, een loofhut zonder loof. Op dat gebinte steunt een vlonder van glas: een oppervlak van licht, dat breekt als het binnenvalt. De binnenplaats is een kubus, waarvan de oostzijde helemaal open is. De blik peilt zo ver als hij kan. Het is een goede plek om je te concentreren: een genereuze ruimte die niet overweldigt. Daarin een man in het gezelschap van een andere, oude, frêle man in een rolstoel. Vader en zoon? De zoon de hele tijd met zijn hand op de rug van zijn vader, want de hand weet dat hij te zwaar voor de schouder is. Op die plek en met dat beeld voor ogen denk ik dan aan de joden Primo Levi, Jean Améry, Paul Celan: niet bij machte om het overleven te overleven. Kaddisj van een goj.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: