Koffiehuis ‘Grosz’

13 december 2012

‘Grosz‘ is te klein voor Grosz, of beter, ondanks zijn grootte heeft het geen formaat. Het is lang en eng, eerder een tube dan een palet. (Op het palet mag, wat de tube juist verhindert). ‘Grosz’ heet het koffiehuis dat vorig weekend in het pompeuze huis Cumberland, Kudamm 192, geopend werd. Het is genoemd naar Georg Grosz, de schilder die in de jaren twintig Berlijn schilderde als een zondenpoel.

Meteen is duidelijk waarom Grosz nooit ‘Grosz’ gefrequenteerd zou hebben. In ‘Grosz’ wordt niet gezondigd. Daar is geen beginnen aan in een lokaal dat het formaat van een dwangbuis heeft. Het is al een kunst om er je portemonnee uit je broekzak te halen zonder aanstoot te geven. Het is meer een plek om te incasseren dan om uit te delen. Zo heb ik dat toch ervaren toen ik er zondagavond tussen de stuifsneeuw binnenwaaide.

Uit kikkerperspectief heeft het interieur de vorm van een zeppelin, uit vogelperspectief van een met twee leren bandjes uitgeruste Hublot Black Caviar Bang. Ik bedoel: neem je tijd, leg je polshorloge op tafel, strek de bandjes helemaal uit en kijk aandachtig naar het resultaat: zo ziet de plattegrond van ‘Grosz’ eruit. In het onderste bandje, waar de ingang is, bevindt zich het café, in het bovenste het restaurant. Het onderste bandje is bestemd voor nieuwsgierige mensen met dikke jassen aan die hun blik op de pilaren richten alsof ze in een kerk op de verschijning van Pussy Riot zitten te wachten.

Het midden (het horloge zelf), waar je een snack kunt eten, functioneert als sluis. Net als op een rotonde kun je er in het rond blijven draaien, of afslaan. Wie verder wil doordingen om zich te distingeren, moet een soort ceremoniemeester aan een lessenaar passeren, een Cerberus. Je wordt gekeurd. Ik kreeg het advies mijn sjaal aan te houden (ik had nochtans mijn nek gewassen), maar mijn hoed moest eraf (van mijn schedel was ik nochtans niet zeker). Maar ik begreep het wel, als ceremoniemeester wil je daar niet voor gillardeau of stone crab staan.

De sleuven waarin café en restaurant zich bevinden zijn zo eng, dat één kelner alle doorgangen blokkeert. Ik liet me snel op een stoel vallen en prees me gelukkig dat ik niet in gezelschap was, ik voelde mezelf hier al te veel. Het idee om hardop tegen mezelf te gaan praten kwam niet eens bij me op, de kans is klein dat ik me had gehoord.

De kelners bedienen er met een neus die zegt dat je lijfgeur niet en vogue is, maar ze spreken je wel aan met ‘monsieur’. (Waarom toch? We zijn immers in ‘Grosz’, en niet in Paris-Bar). De kaviaar, 60 euro voor 30 gram, liet ik onaangeroerd, ik vond hem te transparant. Wat had Georg Grosz hier kunnen komen zoeken? Of zijn schildersezel? Of het varkenshaar van het penseel waarmee hij zijn zwijnen schilderde? Wat deed ik hier? Snel naar buiten, de straat op, in het modderbad!

Ik vroeg me af hoe uitgever Wieland Herzfelde als goede vriend van Georg Grosz zo’n kitschcafé genoemd zou hebben. Herzfelde genoot het privilege om alle schilderijen van Georg Grosz te mogen betitelen. Want Grosz’ schilderijen verkochten altijd het best en het duurst als Wieland er een naam aan gaf. Maar in de jaren twintig werden de Berlijnse kunstenaarskroegen niet genoemd naar de namen van de zonderlingen die ze frequenteerden, maar naar het beeld dat die van zichzelf gevormd hadden. Vroeger zaten de artiesten in Café Größenwahn eerlijk op te scheppen, nu zit iedereen in café Einstein valsbescheiden geniaal te zijn. Of in ‘Grosz’ met zijn euro’s te grossieren.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: